Centrale Raad van Beroep, 04-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1656, 22/464 TOZO
Centrale Raad van Beroep, 04-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1656, 22/464 TOZO
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 4 november 2025
- Datum publicatie
- 26 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1656
- Zaaknummer
- 22/464 TOZO
Inhoudsindicatie
Intrekkingen van TOZO-bijstand. Terugvorderingen. Geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Geen strijd met de zesmaandenjurisprudentie. Schadevergoeding redelijke termijn. De beroepsgrond dat de intrekkingen in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel slaagt al niet, omdat niet in geschil is dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De beroepsgrond dat de terugvorderingen in overeenstemming met de zesmaandenjurisprudentie moeten worden beperkt, slaagt ook niet. Die rechtspraak geldt alleen bij een bevoegdheid tot terugvordering en niet bij een verplichte terugvordering.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2022, 21/4973 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 4 november 2025
Het gaat in deze zaak om intrekkingen en terugvorderingen van algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Appellant is van mening dat de intrekkingen in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en dat op de terugvorderingen de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie moet worden toegepast. De Raad volgt appellant hierin niet. De intrekkingen en terugvorderingen blijven daarom in stand. Het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn wijst de Raad wel toe.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. U. Karatas, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft daarnaast verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 september 2025. Voor appellant is mr. Karatas verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Baltus en mr. W. Breure.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft, voor zover hier van belang, bij het college algemene bijstand op grond van de Tozo over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 (Tozo 1), over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 (Tozo 2) en vanaf 1 oktober 2020 (Tozo 3) aangevraagd. Het college heeft appellant die bijstand toegekend.
Met drie afzonderlijke besluiten van 8 februari 2021 heeft het college de bijstand op grond van Tozo 1 en 2 herzien (lees: ingetrokken) en de bijstand op grond van Tozo 3 vanaf 1 oktober 2020 gestopt (lees: ingetrokken). Het college heeft met die besluiten ook de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd: over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 tot een bedrag van € 3.156,96, over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 tot een bedrag van € 4.229,41 en over de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 januari 2021 tot een bedrag van € 4.252,53.
Met een besluit van 12 augustus 2021 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 8 februari 2021 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat appellant geen zelfstandige is, omdat hij gelet op zijn omzet over 2019 en het eerste kwartaal van 2020 niet voldoet aan het urencriterium. Daarnaast voldoet hij niet aan het criterium dat zijn bedrijf financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19 (coronacrisis): zijn omzet is vanaf het invoeren van de coronamaatregelen juist gestegen. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Hij heeft namelijk in de in 1.2 genoemde aanvragen in strijd met de werkelijkheid verklaard dat hij normaal gesproken meer dan 1.225 uur per jaar aan zijn onderneming besteedde en dat zijn bedrijf financieel is geraakt door de coronamaatregelen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.