Centrale Raad van Beroep, 06-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1652, 23/237 AOW
Centrale Raad van Beroep, 06-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1652, 23/237 AOW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 6 november 2025
- Datum publicatie
- 21 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1652
- Zaaknummer
- 23/237 AOW
Inhoudsindicatie
Bestreden besluit over de hoogte van het AOW-pensioen ten onrechte in stand gelaten. De Svb is bij het bestreden besluit in zoverre teruggekomen van zijn besluit van 20 augustus 2021, dat aan appellant alsnog vanaf 1 december 2021 een AOW-pensioen is toegekend van 8% van het maximale AOW-pensioen. Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft de Svb zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat appellant recht heeft op een AOW-pensioen van 12% (in plaats van 8%) van het maximale pensioen, en dat het pensioen moet worden toegekend met terugwerkende kracht van vijf jaar vanaf de datum van het verzoek om herziening. De Raad concludeert, net als de Svb, dat appellant in de periode van 1 maart 1974 tot 1 januari 1986 niet verzekerd is geweest voor de AOW en dus geen recht heeft op een hoger AOW-pensioen. Beroep op het gelijkheidsbeginsel. slaagt niet.
Uitspraak
23/237 AOW
Datum uitspraak: 6 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2022, 22/3098 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Portugal (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
Partijen zijn het oneens of appellant AOW-pensioen heeft opgebouwd over de gehele periode waarin hij heeft gewerkt op boorplatforms op het Nederlandse continentale plat . De Svb is in hoger beroep aan appellant tegemoetgekomen door hem alsnog met vijf jaar terugwerkende kracht een AOW-pensioen toe te kennen dat 4% hoger is dan het oorspronkelijk toegekende pensioen. De Raad concludeert dat appellant geen recht heeft op een nog hoger AOWpensioen of een AOW-pensioen dat eerder ingaat.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Svb heeft de schriftelijke vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door een tolk Portugees-Nederlands en een tolk Portugees-Engels. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn en W. van den Berg.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellant heeft op [datum] 2014 de AOW1-leeftijd bereikt. Hij heeft in 2021 een AOWpensioen aangevraagd, maar die aanvraag heeft de Svb met een besluit van 20 augustus 2021 afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Appellant heeft de Svb op 13 december 2021 verzocht om dit besluit te herzien en toch een AOW-pensioen toe te kennen. Dat verzoek heeft de Svb afgewezen met een besluit van 31 december 2021.
Tegen het besluit van 31 december 2021 heeft appellant bezwaar gemaakt. Met een besluit van 13 mei 2022 (bestreden besluit) heeft de Svb dat bezwaar gegrond verklaard en alsnog vanaf 1 december 2021 een AOW-pensioen toegekend van 8% van het maximale AOW-pensioen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb de hoogte van het AOW-pensioen juist heeft vastgesteld. De rechtbank heeft verwezen naar de motivering van het besluit door de Svb: appellant is niet verzekerd geweest in de periode vóór 1 januari 1986 omdat Vo 1408/712 toen nog niet voor Portugal in werking was getreden, en appellant is niet verzekerd geweest in periode van 1 juli 1989 tot 1 januari 1992, omdat ook Nederlandse ingezetenen die langer dan drie maanden op het continentaal plat werkten in die periode van verzekering waren uitgesloten op grond van artikel 10 van KB 164.3 Omdat appellant die motivering niet heeft aangevochten heeft de rechtbank geen grond gezien om te oordelen dat de hoogte van het AOW-pensioen van appellant onjuist zou zijn vastgesteld.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.