Home

Centrale Raad van Beroep, 29-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1603, 23/2113 WAJONG

Centrale Raad van Beroep, 29-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1603, 23/2113 WAJONG

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29 oktober 2025
Datum publicatie
10 november 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1603
Zaaknummer
23/2113 WAJONG

Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht verhoogd tot 85% van het grondslag per 11 januari 2021 en terecht niet verder teruggegaan dan een jaar voor de datum van de aanvraag. Geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong.

Uitspraak

23/2113 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 juni 2023, 23/145 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 oktober 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de Wajong-uitkering van appellant terecht heeft verhoogd tot 85% van het grondslag per 11 januari 2021 en daarbij niet verder is teruggegaan dan een jaar voor de datum van de aanvraag.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 augustus 2024. Namens appellant is zijn moeder, [naam moeder] verschenen, bijgestaan door mr. Weldam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Op 6 augustus 2025 is de zaak, gevoegd met de zaak 25/91 Wajong , behandeld op een nadere zitting. Namens appellant is wederom zijn moeder, [naam moeder] verschenen, bijgestaan door mr. Weldam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger. Na afloop van de zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elke zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1989, ontvangt sinds zijn achttiende verjaardag een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellant is bekend met microcefalie met een ernstig verstandelijke beperking. Daarnaast is sprake van een flexiecontractuur van de knieën en vingers, waardoor appellant rolstoelafhankelijk is. Hij is volledig ADL-afhankelijk. Op 11 januari 2022 heeft het Uwv een aanvraag ontvangen voor een verhoging van de Wajong-uitkering, wegens kosten voor extra hulp en verzorging. Met een besluit van 19 april 2022 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellant per 11 januari 2022 verhoogd tot een percentage van 85% van de grondslag.

1.2.

Bij besluit van 30 november 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de ingangsdatum van de verhoging gewijzigd naar 11 januari 2021. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat de uitkering terecht tot 85% (in plaats van 100%) is verhoogd. Over de ingangsdatum van de verhoging heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong volgt dat een uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Uwv kan in bijzondere gevallen hiervan afwijken. Uit vaste rechtspraak volgt dat een bijzonder geval kan worden aangenomen in een situatie dat iemand om medische redenen niet in staat is om (met hulp) eerder een uitkering aan te vragen. Onbekendheid met de wetgeving levert in ieder geval geen bijzonder geval op. De rechtbank heeft in de door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals zijn medische problematiek en het feit dat zijn ouders niet deskundig zijn op het gebied van sociale zekerheid, onvoldoende grond gezien om een bijzonder geval aan te nemen op grond waarvan langer dan een jaar terugwerkende kracht zou moeten worden verleend. De aandoening/ziekte van appellant kan niet worden aangemerkt als een bijzonder geval. Voor appellant zijn eerder namelijk wel aanvragen ingediend. Dat de ouders niet bekend waren met de wetgeving vormt geen bijzondere omstandigheid die een afwijkende ingangsdatum rechtvaardigt. Het standpunt dat de Wajong-uitkering met vijf jaar terugwerkende kracht zou moeten ingaan, slaagt daarom ook niet.

2.2.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong een dwingendrechtelijk karakter heeft, zodat geen ruimte bestaat voor de door appellant gewenste belangenafweging.

Het standpunt van appellant

3.1.

Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank, voor zover het de ingangsdatum van de verhoging betreft, niet eens. Appellant voert aan dat het niet eerlijk is dat in zijn geval de verhoging van de Wajong-uitkering niet met meer dan een jaar terugwerkende kracht wordt verleend. Uit informatie van de verzekeringsartsen blijkt namelijk dat appellant een bijzonder geval is, onder meer omdat hij ernstig verstandelijk beperkt is. Het Uwv heeft de menselijke maat niet in acht genomen. Appellant is nooit geïnformeerd over de mogelijkheid om een verhoging aan te vragen, terwijl al bij de toekenning in 2007 duidelijk was dat appellant hier recht op had.

Het standpunt van het Uwv

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

(getekend) E.J.J.M. Weyers