Centrale Raad van Beroep, 27-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1599, 21/3224 ZW
Centrale Raad van Beroep, 27-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1599, 21/3224 ZW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2025
- Datum publicatie
- 10 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1599
- Zaaknummer
- 21/3224 ZW
Inhoudsindicatie
Ongewijzigde voortzetting ZW-uitkering van werknemer per 9 juli 2019 blijft in stand. Terecht geoordeeld dat werknemer minder dan 65% van het loon kan verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht vastgesteld op 10 juli 2018. Voldoende medische grondslag. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn.
Uitspraak
21/3224 ZW
Datum uitspraak: 27 oktober 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van 18 december 2020 (20/576 T) (aangevallen tussenuitspraak) en de einduitspraak van 23 juli 2021 van de rechtbank Amsterdam (20/576) (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
de besloten vennootschap [appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werknemer] te [woonplaats] (werknemer)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van werknemer per 9 juli 2019 ongewijzigd heeft gelaten, omdat werknemer minder dan 65% van het loon kan verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellante heeft – kort samengevat – aangevoerd dat het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten onrechte heeft vastgesteld op 10 juli 2018. Ook stelt appellante, onder verwijzing naar de bevindingen van artsgemachtigde Derks, dat het Uwv ten onrechte een urenbeperking heeft aangenomen voor werknemer. Appellante is voorts van mening dat de beperkingen op de items 1.9 (het aangewezen zijn op een voorspelbare situatie) en 2.12 (de noodzaak om te kunnen terugvallen op directe collega’s of leidinggevenden) in de FML onvoldoende zijn gemotiveerd. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW (de noodzaak om te kunnen terugvallen op directe collega’s of leidinggevenden) in de FML onvoldoende zijn gemotiveerd. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de uitkering terecht ongewijzigd heeft gelaten.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 maart 2024. Namens appellante zijn mr. Van Zijl, [naam 1] en arts-gemachtigde drs. J.M.W.N. Derks verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel. Werknemer en zijn gemachtigde mr. N. Abalhaj zijn niet verschenen. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 21/4194 ZW en 22/1369 WIA. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Na sluiting van het onderzoek is dit heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest en zijn nadere vragen gesteld aan partijen. Partijen hebben deze vragen beantwoord en nadere stukken ingediend.
Appellante heeft om schadevergoeding verzocht wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In verband daarmee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2025. Namens appellante is mr. Van Zijl verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Van den Heuvel. Werknemer en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De zaak is andermaal gevoegd behandeld met de zaken 21/4194 ZW en 22/1369 WIA en na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Werknemer heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker voor 40 uur per week bij appellante. Per 10 juli 2018 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsbelemmerende klachten. Appellante heeft ook na 10 juli 2018 loon doorbetaald aan werknemer. Op 1 november 2018 is werknemer uit dienst gegaan bij appellante. Appellante heeft vanaf die datum, in de hoedanigheid van eigenrisicodrager, de door het Uwv toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aan werknemer betaald. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 52c van de ZW en geen beschikking aan appellante afgegeven. In het kader van een Eerstejaars ZWbeoordeling (EZWb) heeft werknemer het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft werknemer belastbaar geacht met inachtneming van beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren en een urenbeperking van vier uur per dag/twintig uur per week, zoals neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 mei 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat werknemer minder dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het Uwv heeft bij besluit van 18 juni 2019 de ZW-uitkering van werknemer met ingang van 9 juli 2019 ongewijzigd gelaten, omdat hij minder dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
Bij besluit van 18 december 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de grond van appellante dat uitgegaan moet worden van een latere eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet kan slagen. Uit de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 december 2019 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 10 juli 2018 kon worden vastgesteld. Appellante heeft onvoldoende overtuigend gemotiveerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist is vastgesteld. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte heeft nagelaten bij bedrijfsarts [naam 2] te informeren waarom hij 1 november 2018 als arbeidsongeschiktheidsdag heeft aangemerkt, heeft de rechtbank overwogen dat het aan de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) is om te bepalen op welke wijze het medisch onderzoek wordt ingericht. De verzekeringsarts heeft zowel bij de huisarts als bij bedrijfsarts [naam 3] informatie opgevraagd en deze informatie bij zijn beoordeling betrokken. Niet gezegd kan worden dat er onvoldoende onderzoek naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 13 december 2019 (pagina 4) en 4 december 2020 (lees: 4 juni 2020) (pagina 1) voldoende inzichtelijk – onder verwijzing naar de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid – heeft toegelicht waarom de urenbeperking is aangenomen.
De rechtbank heeft in de aangevallen tussenuitspraak overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet heeft gereageerd op de gronden van appellante dat de aangenomen beperkingen in de FML ten aanzien van het aangewezen zijn op een voorspelbare werksituatie (1.9) en de noodzaak om te kunnen terugvallen op directe collega's of leidinggevenden (2.12) onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert en het Uwv in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.
Het Uwv heeft van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt en met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2021 een nadere toelichting gegeven op de beperkingen op de items 1.9 en 2.12 in de FML. Op de door appellante nog overgelegde rapporten van bedrijfsartsen [naam 3] van 29 maart 2017 en [naam 4] van 31 maart 2020 en de reactie van arts-gemachtigde Derks heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd met een rapport van 8 april 2021.
Bij de aangevallen uitspraak, die voortbouwt op de aangevallen tussenuitspraak, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 januari 2021 toereikend heeft gemotiveerd waarom in de FML beperkingen op de items 1.9 en 2.12 zijn opgenomen. Uit de rapporten van 13 december 2019 en 4 juni 2020 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt verder dat zij reeds bekend was met de mening van de bedrijfsarts.
Het standpunt van appellante
In het hoger beroep heeft appellante zich tegen het oordeel van de rechtbank in de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak, in onderlinge samenhang bezien, gekeerd, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gebleven. Appellante heeft – kort samengevat – aangevoerd dat het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten onrechte heeft vastgesteld op 10 juli 2018. Ook is, onder verwijzing naar de bevindingen van arts-gemachtigde Derks, gesteld dat het Uwv ten onrechte een urenbeperking heeft aangenomen voor werknemer. Appellante is voorts van mening dat de beperkingen op de items 1.9 (het aangewezen zijn op een voorspelbare situatie) en 2.12 (de noodzaak om te kunnen terugvallen op directe collega’s of leidinggevenden) in de FML onvoldoende zijn gemotiveerd.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen tussenuitspraak en aangevallen uitspraak te bevestigen.