Home

Centrale Raad van Beroep, 22-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1585, 24/201 WIA

Centrale Raad van Beroep, 22-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1585, 24/201 WIA

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22 oktober 2025
Datum publicatie
4 november 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1585
Zaaknummer
24/201 WIA

Inhoudsindicatie

Terugvordering voorschot WIA-uitkering. Het Uwv heeft een verlaging van 25% op het bedrag toegepast vanwege eigen aandeel. Geen reden om van de terugvordering af te zien. Appellante had ook inkomsten uit arbeid en zij had kunnen weten dat de verstrekte voorschotten te hoog waren gelet op het bedrag dat zij aan salaris ontving.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 december 2023, 23/2726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appelante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 oktober 2025

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht de teveel betaalde voorschotten op de WIA-uitkering van appellante heeft teruggevorderd. Het Uwv heeft in hoger beroep wegens dringende redenen het bedrag van de terugvordering verlaagd met 25%. Appellante is van mening dat het Uwv geheel van terugvordering had moeten afzien omdat het Uwv wist dat zij zestien uur per week werkte en hiermee bij de toekenning van het voorschot ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Bovendien heeft het Uwv in het besluit waarbij het voorschot is toegekend de indruk gewekt dat appellante dit niet terug hoefde te betalen. Ook heeft appellante gesteld dat het handelen van het Uwv stress bij haar veroorzaakt, terwijl zij dat vanwege haar medische situatie juist wil vermijden. De Raad volgt het standpunt van appellante niet en oordeelt dat het Uwv de teveel betaalde voorschotten, tot het in hoger beroep vastgestelde bedrag van € 2.954,15 bruto, terecht van appellante heeft teruggevorderd.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 21 juni 2024 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hierop gereageerd.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2025. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft het Uwv bij besluit van 28 februari 2022 met ingang van 24 februari 2022 een voorschot op deze uitkering aan haar toegekend. De hoogte van het voorschot bedraagt € 1.729,34 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

1.2.

Na onderzoek door een arts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 20 juni 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA aan appellante toegekend met ingang van 24 februari 2022. De hoogte van de loongerelateerde WGAuitkering bedraagt € 876,27 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

1.3.

Bij besluit van 30 september 2022 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante over de periode van 24 februari 2022 tot en met 30 september 2022 een te hoog voorschot op haar WIA-uitkering heeft ontvangen. In totaal heeft appellante € 3.938,87 bruto te veel ontvangen. Het Uwv heeft dit bedrag van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 8 maart 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet heeft weersproken dat de in het besluit van 30 september 2022 opgenomen berekening en de daarin genoemde bedragen juist zijn. Volgens deze berekeningen heeft appellante een bedrag ter hoogte van € 3.938,87 bruto teveel aan voorschot ontvangen. In het besluit van 28 februari 2022, waarbij het voorschot is toegekend, is uitgelegd dat het een voorschot betreft op de uiteindelijke uitkering, dat de uitkering lager kan zijn dan het voorschot, bijvoorbeeld omdat er sprake is van inkomsten, en dat dan het te veel ontvangen voorschot moet worden terugbetaald. Ook is vermeld “Kreeg u het voorschot omdat wij te laat waren met de beoordeling van uw gezondheid? Dan hoeft u het voorschot meestal niet terug te betalen”. Anders dan appellante betoogt, brengt de omstandigheid dat bij appellante sprake was van een (te) late beoordeling van de gezondheid niet mee dat zij ervan uit mocht gaan dat zij niet hoefde terug te betalen. Vaststaat immers ook dat appellante ten tijde van de besluitvorming inkomsten uit arbeid genoot. Daarbij heeft de rechtbank ook van belang geacht dat appellante had kunnen weten dat zij een te hoog bedrag aan voorschot ontving. In het besluit van 28 februari 2022 staat uitgelegd hoe het voorschot is berekend en hieruit blijkt niet dat het Uwv rekening heeft gehouden met het feit dat appellante op dat moment inkomsten uit arbeid genoot. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het maandinkomen dat appellante ontving, opgeteld bij de uitbetaling van het voorschot, aanzienlijk hoger was dan het loon dat zij voorafgaand aan de ziekteperiode ontving. De stelling van appellante dat haar dat niet is opgevallen omdat zij voorafgaand aan de ziekteperiode onregelmatige uren werkte en toeslag kreeg en dus gewend was aan wisselende inkomsten, maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het voorgaande geen sprake van schending van het motiveringsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Ook is geen sprake van willekeur.

Het standpunt van appellante

3.1.

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat het Uwv de teveel betaalde voorschotten niet van haar had mogen terugvorderen. In dit verband heeft appellante erop gewezen dat het Uwv wist dat zij zestien uur per week werkte maar daar bij de vaststelling van de hoogte van het voorschot ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. Daar komt bij dat het Uwv, door in het besluit van 28 februari 2022 te vermelden dat een voorschot meestal niet hoeft te worden terugbetaald als dit is toegekend omdat het Uwv te laat was met het beoordelen van de gezondheid, bij appellante de indruk heeft gewekt dat zij het voorschot niet terug hoefde te betalen. Appellante is van mening dat het Uwv bij de toekenning van het voorschot duidelijk had moeten vermelden dat dit teruggevorderd zou worden.

Gewijzigde beslissing op bezwaar

3.2.

Het Uwv heeft op 21 juni 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. In dit besluit heeft het Uwv geconcludeerd dat dringende redenen aanwezig zijn op grond waarvan de terugvordering gematigd dient te worden naar € 2.954,15 bruto. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 september 2022 is in zoverre alsnog gegrond verklaard.

3.3.

Appellante is het niet eens met het besluit van 21 juni 2024. Zij is van mening dat het Uwv geheel van terugvordering had moeten afzien. Appellante heeft naar voren gebracht dat het Uwv geen enkel inzicht heeft gegeven in de wijze waarop de matiging van de terugvordering tot stand is gekomen. Verder heeft appellante er opnieuw op gewezen dat zij al vanaf juli 2021 gedurende zestien uur per week werkzaam was en dit ook in de WIAaanvraag heeft vermeld. Appellante is van mening dat het Uwv onbehoorlijk heeft gehandeld en haar belangen niet in acht heeft genomen. Het handelen van het Uwv veroorzaakt stress, terwijl zij dit vanwege haar medische situatie juist uit de weg wil gaan.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels