Home

Centrale Raad van Beroep, 23-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1581, 24/1026 WIA

Centrale Raad van Beroep, 23-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1581, 24/1026 WIA

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23 oktober 2025
Datum publicatie
3 november 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1581
Zaaknummer
24/1026 WIA

Inhoudsindicatie

WIA-dagloon terecht vast gesteld op € 180,29. Minder overuren. Corona. Geen bijzondere omstandigheden. Evenredigheid. Geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Besluit niet onredelijk bezwarend.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 maart 2024, 23/2470 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 oktober 2025

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het WIA-dagloon heeft vastgesteld op € 180,29. Volgens appellant had bij de dagloonvaststelling rekening moeten worden gehouden met overuren die hij gewend was te maken, maar die hij in de referteperiode vanwege de coronamaatregelen niet heeft kunnen maken. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 juli 2025. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft gewerkt als tentenbouwer bij [naam werkgeefster B.V.] (werkgeefster). Werkgeefster zorgt voor de bouw van tenten op grote evenementen. Op 17 mei 2021 heeft appellant zich ziekgemeld. Appellant had een voltijdscontract en heeft daarnaast in het verleden vaak overgewerkt. Vanwege de coronapandemie werd de evenementensector vanaf maart 2020 meerdere keren stilgelegd. Werkgeefster heeft vanwege de coronamaatregelen de werknemers reparatiewerk laten doen binnen de normale contracturen. Zij hebben in die tijd, anders dan gewoonlijk, niet overgewerkt.

1.2.

Met een besluit van 26 mei 2023 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 15 mei 2023 een uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij dit besluit is het WIA-dagloon vastgesteld op € 180,29 en het WIA-maandloon op € 3.921,31 Het Uwv is hierbij uitgegaan van een referteperiode van 1 mei 2020 tot en met 30 april 2021.

1.3.

Met een beslissing op bezwaar van 17 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 mei 2023 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat ofschoon uit de beschikbare polisgegevens blijkt dat appellant voorafgaand aan de referteperiode een hoger loon had, dit niet meebrengt dat in dit geval kan worden afgeweken van de volgens het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) geldende referteperiode. Niet gebleken is dat er sprake is van voor appellant dermate onevenredig nadelige gevolgen dat op grond hiervan het Dagloonbesluit buiten toepassing gelaten zou moeten worden.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de wettelijk vastgestelde dagloonregels geen ruimte bieden om, zoals appellant voorstaat, van een andere referteperiode uit te gaan. Bij het bepalen van het loonverlies is de eerste ziektedag en de direct daarmee samenhangende referteperiode leidend voor de berekening van het gederfde inkomen. Als die datum eenmaal vastligt, dan volgt daaruit dat uit het loon over de 52 weken daaraan voorafgaand het gemiddeld verdiende loon wordt berekend. Dát is het loon dat de wetgever beoogt te compenseren. Zo is het ook gelopen in het geval van appellant. In deze zaak is er daarom geen verschil tussen wat de wetgever met de dagloonregels wil bereiken en hoe die regels in het geval van appellant uitwerken. Dat het resultaat nadelig voor hem uitpakt, maakt niet dat de uitkomst van het besluit in relatie tot de doelstelling van de wetgever in dit geval niet redelijk of billijk is.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij de dagloonvaststelling niet eerlijk vindt. Volgens appellant had bij de dagloonberekening rekening moeten worden gehouden met zes tot acht overuren per week. Deze overuren heeft appellant in de referteperiode weliswaar niet gemaakt, maar dat komt door de coronapandemie. Het vastgestelde dagloon geeft niet de volledige werkelijkheid weer van het normale loon van appellant. Appellant is daardoor benadeeld.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

(getekend) A.I. van der Kris

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels