Centrale Raad van Beroep, 29-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1576, 23/3126 WW
Centrale Raad van Beroep, 29-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1576, 23/3126 WW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2025
- Datum publicatie
- 3 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1576
- Zaaknummer
- 23/3126 WW
Inhoudsindicatie
Onwerkbaar weer. Vertrouwensbeginsel. Informatie op website Uwv. Gewekt vertrouwen. Werkgever niet vrijgesteld van loondoorbetalingsplicht. Terecht geoordeeld dat in de NBBU-cao die geldig was van 30 december 2019 tot en met 31 mei 2021 geen regeling voor onwerkbaar weer is getroffen. Niet voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van de Regeling onwerkbaar weer genoemde voorwaarden.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 oktober 2023, 21/2285, 21/2296 en 21/2328 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] te [woonplaats] (appellant 1)
[appellant 2] te [woonplaats ] (appellant 2)
[appellant 3] te [woonplaats] (appellant 3)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkgever B.V.] te [vestigingsplaats] (werkgever)
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
Het gaat in deze zaken om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellanten een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer toe te kennen. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft [gemachtigde] , belastingadviseur, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 14 mei 2025,1 is werkgever uitgenodigd om als partij deel te nemen aan het geding in hoger beroep. Werkgever heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 augustus 2025. Namens appellanten en werkgever zijn verschenen [gemachtigde] en [naam] , werkzaam bij werkgever. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellanten hebben een uitzendovereenkomst met werkgever en een plaatsingsbevestiging voor de opdrachtgever waarvoor zij werkzaam zijn. Appellant 1 heeft een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd (fase 4) voor 36 uur per week en is met ingang van 28 februari 2020 geplaatst als heier II bij [naam B.V. 1] . Appellant 2 heeft een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd (fase 4) voor 38 uur per week en is met ingang van 14 april 2020 geplaatst als grondwerker weg- en wegenbouw bij [naam B.V. 2] Appellant 3 heeft een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd (fase 3) voor 40 uur per week en is met ingang van 1 februari 2021 geplaatst als bouwvakhelper bij [naam B.V. 3]
Werkgever heeft namens appellanten bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) wegens onwerkbaar weer vanaf 8 februari 2021.
Bij besluiten van 15 juli 2021 (primaire besluiten) heeft het Uwv deze aanvragen afgewezen op de grond dat in de voor appellanten van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst (cao) geen regeling is opgenomen voor werkloosheid wegens onwerkbaar weer. Daarom is werkgever verplicht om het loon over deze periode van onwerkbaar weer door te betalen.
Bij besluiten van 15 november 2021 (bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren van appellanten tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Door de werkgever is met het Uwv afgesproken dat de uitkomst van de beroepsprocedure van appellanten tevens zal gelden voor de andere 73 werknemers van werkgever, waarvan de aanvragen om een uitkering wegens onwerkbaar weer vanaf 8 februari 2021 eveneens zijn afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat in deze zaken de datum in geding 8 februari 2021 betreft. Op die datum gold voor uitzendkrachten de NBBU-cao die geldig was van 30 december 2019 tot en met 31 mei 2021 en de cao Bouw & Infra 2021-2022.
De rechtbank heeft appellanten niet gevolgd in hun standpunt dat sprake is van een weeffout in de NBBU-cao omdat in de voorafgaand aan en opvolgend op de van toepassing zijnde cao wel een regeling voor onwerkbaar weer is opgenomen. Appellanten erkennen dat op de datum in geding bovenstaande NBBU-cao op hen van toepassing was en dat in deze cao geen regeling voor onwerkbaar weer is opgenomen. Uit de stukken in het dossier blijkt dat over dit punt nog geen overeenstemming was bereikt in de cao. De onderhandelingen waren nog gaande en deze onderhandelingen hadden ook tot een andere uitkomst kunnen leiden. Van een weeffout is geen sprake.
De rechtbank heeft appellanten ook niet gevolgd in hun standpunt dat de cao Bouw & Infra doorwerkt in hun arbeidsovereenkomsten en dat daarom de Regeling onwerkbaar weer (Regeling) in die cao ook op hen van toepassing was. In de uitzendovereenkomsten van appellanten is immers de NBBU-cao van toepassing verklaard. Het beroep van appellanten op de vergewisplicht (artikel 10.6.3 van de cao Bouw & Infra) treft volgens de rechtbank evenmin doel. Werkgever is lid van de NBBU en daarom is niet de gehele cao Bouw & Infra van toepassing, maar alleen bijlage 7. Bijlage 7 vermeldt geen regeling ten aanzien van onwerkbaar weer. Uit de cao Bouw & Infra volgt dan ook niet dat deze van toepassing is op (de werkgever van) appellanten.
Naar het oordeel van de rechtbank faalt ook het beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens de rechtbank kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een concrete toezegging. Het Uwv heeft een transcriptie van het telefoongesprek van werkgever met een medewerker van het Uwv (mr. J.W. van Schaik) van 5 februari 2021 overgelegd. Daaruit blijkt niet dat sprake is van een concrete toezegging dat recht bestaat op een WW-uitkering. Ook uit de andere notities van gesprekken met het klantcontactcentrum van het Uwv blijkt niet van toezeggingen. Deze gesprekken zagen allemaal op het doen van een melding en de mogelijkheden daartoe.
Het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens de rechtbank evenmin. Appellanten hebben kenbaar gemaakt dat zij geen uitkering hebben gekregen en andere werknemers die werkzaam zijn in de bouw wel. Er is echter ten aanzien van de werknemers onderling geen sprake van gelijke gevallen. De werkgever van appellanten hanteerde de NBBU-cao waar andere werknemers direct onder de cao Bouw & Infra vielen.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.
Volgens appellanten is sprake van een omissie in de NBBU-cao. In artikel 1, tweede lid, onder c, van de NBBU-cao is sprake van een foute verwijzing naar bijlage 2 van de cao Bouw & Infra. Hierdoor ontbreekt een regeling voor onwerkbaar weer. Volgens appellanten is het echter steeds de intentie geweest van de onderhandelingspartijen om in de NBBU-cap een regeling voor onwerkbaar weer op te nemen, zodat ook voor uitzendkrachten, die werkzaam zijn bij een opdrachtgever bij wie de cao Bouw & Infra van toepassing is, bij onwerkbaar weer recht zou bestaan op een WWuitkering. Als gevolg van de onjuiste verwijzing naar bijlage 2 van de cao Bouw & Infra kunnen appellanten weliswaar volgens de letter van de regeling geen aanspraak maken op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer, maar is zo’n afwijzing in strijd met de geest van de regeling en de bedoeling van de onderhandelingspartijen bij de NBBU-cao.
Appellanten hebben ook hun standpunt gehandhaafd dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Volgens appellanten stond in de periode van 10 juni 2020 tot en met 8 februari 2021 op de website van het Uwv expliciet vermeld dat uitzendkrachten werkzaam in de bouw gebruik kunnen maken van deRegeling. Deze informatie bleek onjuist, omdat in de NBBU-cao geen regeling voor onwerkbaar weer was opgenomen. Het Uwv heeft dat erkend en de informatie op haar website nadien aangepast. Volgens appellanten kan de onjuiste informatie op de website worden gekwalificeerd als een toezegging jegens appellanten en werkgever, welke aan het Uwv kan worden toegerekend. Appellanten en werkgever mochten erop vertrouwen dat deze informatie juist was en dat appellanten met ingang van 8 februari 2021 recht hadden op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer. De rechtbank heeft deze beroepsgrond ten onrechte niet besproken in de aangevallen uitspraak.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het Uwv deelt niet het standpunt van appellanten dat sprake is van een omissie in de NBBU-cao. Volgens het Uwv is de tekst van de toepasselijke NBBU-cao duidelijk en bevat deze cao geen regeling voor onwerkbaar weer. Dat het nooit de intentie is geweest van de onderhandelingspartijen bij de NBBU-cao om bij onwerkbaar weer de loondoorbetaling voor uitzendkrachten werkzaam in de bouw uit te sluiten, doet volgens het Uwv niet ter zake.
Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft het Uwv erkend dat er inderdaad onjuiste informatie op de website van het Uwv heeft gestaan. De aanvankelijke stelling, dat dit slechts één dag het geval is geweest (namelijk op 8 februari 2021) is door het Uwv ter zitting genuanceerd in die zin, dat niet meer met zekerheid te zeggen valt hoe lang de onjuiste informatie op de website heeft gestaan. Het ging daarbij volgens het Uwv echter om informatie van algemene aard, zodat hieraan geen gerechtvaardigde verwachting kon worden ontleend. Daar komt bij dat het Uwv al vanaf 2015 een proclaimer op zijn website heeft staan. Bovendien heeft de NBBU haar leden al op 8 februari 2021 geïnformeerd over de onjuiste informatie op de website van het Uwv. Daarom heeft op grond van de onjuiste informatie op de website van het Uwv niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontstaan dat appellanten recht hadden op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer.
Het standpunt van werkgever
5. Werkgever heeft zich achter het standpunt van appellanten geschaard.