Centrale Raad van Beroep, 21-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1572, 23/2620 PW
Centrale Raad van Beroep, 21-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1572, 23/2620 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2025
- Datum publicatie
- 5 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1572
- Zaaknummer
- 23/2620 PW
Inhoudsindicatie
Intrekking van bijstand. Herziening. Terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Bijschrijvingen en stortingen op diverse bankrekeningen. Inkomen. Aanschaf en tenaamstelling oude auto. Recht vaststellen. Geen aanknopingspunten voor onbekende inkomstenbron. Opdracht nieuw besluit. Door de aanschaf van de oude auto met een hoge kilometerstand en de tenaamstelling niet te melden heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Het dagelijks bestuur heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De enkele stelling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij de auto heeft gefinancierd zegt niets over het bestaan van een onbekende inkomsten- of vermogensbron. Het dagelijks bestuur heeft hier ten onrechte geen onderzoek naar gedaan.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 augustus 2023, 22/3522 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Deze zaak gaat over een besluit tot intrekking, herziening en terugvordering van bijstand. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van bijschrijvingen en contante stortingen op zijn bankrekening en die van zijn minderjarige kinderen en van de aankoop en het op naam zetten van een auto. Volgens appellant heeft hij de inlichtingenverplichting niet geschonden, omdat geen sprake is van middelen en omdat het gaat om een oude auto met een hoge kilometerstand. Ook vindt hij dat hij aannemelijk heeft gemaakt van welk geld en voor welk bedrag hij de auto heeft aangeschaft, zodat geen aanleiding bestaat de bijstand te herzien, in te trekken of terug te vorderen. De Raad geeft appellant gelijk voor zover het gaat om de aanschaf van de auto. Voor het overige krijgt appellant geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Shaaban, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juni 2025. Voor appellant is mr. Shaaban verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P. van Roestel.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant verblijft sinds [datum] 2015 met zijn drie minderjarige kinderen in de gemeente [woonplaats]. Met ingang van die datum heeft het dagelijks bestuur aan appellant bijstand toegekend op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met een niet-rechthebbende partner. Sinds 15 november 2016 verblijft ook zijn echtgenote (X) bij hem en ontvangen appellant en X bijstand naar de norm voor gehuwden.
Tussen 29 januari 2020 en 11 maart 2021 heeft het dagelijks bestuur appellant en X meerdere malen verzocht om bankafschriften en openingsbewijzen van de bankrekeningen van appellant en X, hun minderjarige zoon (Y) en van hun minderjarige dochter (Z) over te leggen en om een toelichting te geven op de bijschrijvingen en stortingen die zichtbaar zijn op de wel overgelegde bankrekeningen van appellant, X, Y en Z. Ook heeft het dagelijks bestuur appellant en X verzocht verifieerbare gegevens over te leggen over de aanschaf van een auto, de frequentie van het boodschappen doen en de wijze van betaling van de boodschappen, transacties buiten de woonplaats van appellant en X en zijn OV-gegevens.
Omdat appellant en X onder meer niet alle bankafschriften van de bankrekeningen van Y en Z hadden overgelegd, heeft het dagelijks bestuur met een besluit van 26 maart 2021 het recht op bijstand van appellant en X met ingang van 24 maart 2021 opgeschort. Hierbij heeft het dagelijks bestuur appellant en X nogmaals verzocht om de openingsbewijzen en afschriften over de periode vanaf datum opening of vanaf [datum] 2015 tot 1 december 2018 dan wel tot 1 januari 2019 van de bankrekeningen van Y en Z over te leggen.
Op 6 april 2021 heeft appellant afschriften van de betaalrekening eindigend op 873 van Y over de periode van juli 2018 tot en met december 2018 overgelegd.
Met een besluit van 7 april 2021 (besluit 1) heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant en X op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 24 maart 2021 ingetrokken op de grond dat appellant en X niet alle gevraagde gegevens hebben verstrekt. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW de bijstand ingetrokken over de periode van [datum] 2015 tot en met 23 maart 2021. Het dagelijks bestuur heeft aan deze intrekking ten grondslag gelegd dat appellant en X de inlichtingenverplichting hebben geschonden door de bankrekeningen van de minderjarige kinderen niet te melden bij het dagelijks bestuur. Omdat niet alle bankafschriften en openingsbewijzen zijn overgelegd, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Met een besluit van 30 april 2021 (besluit 2) heeft het dagelijks bestuur de gemaakte kosten van bijstand over de periode van [datum] 2015 tot en met 23 maart 2021 tot een bedrag van € 112.083,40 van appellant en X teruggevorderd.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. In bezwaar heeft appellant alsnog de gevraagde bankafschriften van de bankrekening van Z verstrekt.
Met een besluit van 8 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur als volgt beslist op de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2. Het recht op bijstand wordt over de periode van [datum] 2015 tot 1 juli 2020 en van 1 augustus 2020 tot en met 23 maart 2021 alsnog vastgesteld. Besluit 1 is in verband daarmee in die zin herroepen dat de bijstand is herzien over de periode van 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 in verband met bijschrijvingen van derden en kasstortingen op de bankrekeningen van appellant en van zijn minderjarige kinderen. Deze bijschrijvingen en kasstortingen worden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 32 van de PW. De bijstand over de maand juli 2020 wordt ingetrokken. Appellant heeft in die maand een auto aangeschaft. Door hiervan geen melding te maken heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden. Het is onduidelijk met welke middelen hij de auto heeft aangeschaft. Om die reden kan niet worden vastgesteld of hij een (aanvullend) recht op bijstand had over de maand juli 2020. Het dagelijks bestuur heeft ook de hoogte van de terugvordering opnieuw berekend. De ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 en over de maand juli 2020 worden van appellant en X teruggevorderd tot een bedrag van € 10.386,85.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.