Centrale Raad van Beroep, 27-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1570, 22/2652 WLZ
Centrale Raad van Beroep, 27-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1570, 22/2652 WLZ
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2025
- Datum publicatie
- 4 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1570
- Zaaknummer
- 22/2652 WLZ
Inhoudsindicatie
Budgethouder is geen partij en de Raad zal de (voorlopige) toelating van de budgethouder als partij ongedaan maken en geen acht slaan op wat door de budgethouder is aangevoerd. Betrokkenen zijn niet aan te merken als belanghebbenden bij het intrekkings- en terugvorderingsbesluit en de bezwaren hadden niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2022, 21/1696 en 21/4103 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
[betrokkene B.V. 1] (betrokkene 1)
[betrokkene B.V. 2] (betrokkene 2)
[betrokkene 3] (betrokkene 3)
Datum uitspraak: 27 oktober 2025
De Raad oordeelt in deze zaken dat de budgethouder niet als belanghebbende in dit hoger beroep wordt toegelaten, omdat hij geen beroep heeft ingesteld. Ook oordeelt de Raad dat de bezwaren van betrokkene 1 en betrokkene 2 niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd.
PROCESVERLOOP
Namens het zorgkantoor heeft mr. H.J. Arnold, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene 1 hebben mrs. V.S. van Brouwershaven en F.P. Heijne, advocaten, een verweerschrift ingediend.
Namens betrokkene 2 hebben mrs. R.S. Wijling en F.C.R.R. Crince le Roy, advocaten, een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het zorgkantoor heeft een zienswijze ingediend in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
Namens betrokkene 3 heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat, verzocht om als partij te worden toegelaten.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Betrokkene 3 (hierna ook aangeduid als de budgethouder) is geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor heeft aan de budgethouder in verband hiermee een persoonsgebonden budget (pgb) verleend op grond van de Wlz.
De budgethouder kocht met dit pgb zorg in bij betrokkene 1. Betrokkene 2 is tot bewindvoerder en mentor van de budgethouder benoemd.
Het zorgkantoor heeft naar aanleiding van fraudemeldingen onderzoek gedaan naar de besteding van het pgb door de budgethouder bij betrokkene 1. Met een besluit van 25 augustus 2020 heeft het zorgkantoor, onder verwijzing naar de resultaten van het onderzoek, het pgb van de budgethouder voor de jaren 2019 en 2020 ingetrokken en van de budgethouder een bedrag van € 36.269,68 teruggevorderd.
De budgethouder, betrokkene 1 en betrokkene 2 hebben tegen het besluit van 25 augustus 2020 bezwaar gemaakt.
Betrokkene 1 heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
Met een besluit van 1 juli 2021 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het besluit van 25 augustus 2020 gehandhaafd.
Betrokkene 1 heeft haar beroep na het nemen van het bestreden besluit gehandhaafd. Betrokkene 2 heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De budgethouder heeft geen beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene 1 tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar gegrond verklaard en de door het zorgkantoor verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.442,-. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak verder de beroepen tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 25 augustus 2020 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft betrokkenen 1 en 2 aangemerkt als belanghebbenden bij het besluit van 25 augustus 2020. De rechtbank heeft verder overwogen dat het zorgkantoor niet aannemelijk heeft gemaakt dat de budgethouder zich niet heeft gehouden aan de verplichtingen van het pgb.
Het standpunt van het zorgkantoor
3. Het zorgkantoor heeft zich onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 23 november 20221 op het standpunt gesteld dat betrokkenen 1 en 2 achteraf gezien geen belanghebbenden blijken te zijn bij het besluit van 25 augustus 2020.