Centrale Raad van Beroep, 21-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1566, 24/643 PW
Centrale Raad van Beroep, 21-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1566, 24/643 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2025
- Datum publicatie
- 5 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1566
- Zaaknummer
- 24/643 PW
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand beheerkosten pgb. Geen noodzakelijke kosten. De Raad stelt voorop dat het hier niet gaat om de vraag of het beheren van het pgb in het geval van appellant noodzakelijk was, maar om de vraag of het pgb zelf noodzakelijk was. De rechtbank heeft met juistheid gewezen op vaste rechtspraak dat kosten van beheer van een pgb geen noodzakelijke kosten zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW indien deze kosten vermijdbaar zijn, omdat betrokkene had kunnen kiezen voor ZIN en daarom niet was aangewezen op een pgb. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat ZIN in zijn geval niet mogelijk is. Appellant heeft geen onderzoek gedaan naar andere oplossingsmogelijkheden dan ondersteuning die wordt ingekocht met een pgb. De enkele stelling dat er overal wachtlijsten zijn en dat een geschikte ZIN-plek niet beschikbaar was, is ook in hoger beroep niet met controleerbare gegevens onderbouwd.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 februari 2024, 23/701 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Participatiebedrijf KempenPlus (bestuur)
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
In deze zaak gaat het om een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het bestuur vindt dat de kosten niet noodzakelijk zijn, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is aangewezen op zorg die wordt ingekocht met een pgb. Appellant vindt deze kosten wel noodzakelijk omdat zorg in natura (ZIN) voor hem niet passend is, hij al zorg ingekocht met een pgb ontvangt en de kantonrechter de curator toestemming heeft gegeven tot het beheer van dit budget. Appellant krijgt hierin geen gelijk. Het hoger beroep slaagt niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn curator heeft mr. M.H.A.J. Slaats, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 september 2025. Voor appellant en zijn curator is mr. Slaats verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.N. Packbier.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant is geboren op [geboortedatum] 2002. Bij beschikking van 8 juli 2020 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant appellant met ingang van de datum waarop hij meerderjarig wordt onder curatele gesteld vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand en X B.V. tot curator benoemd. Appellant woont op zorgboerderij [naam] te [woonplaats] ( [naam zorgboerderij] ), een kleinschalig gezinshuis, waar appellant zorg vanuit de Wlz ontvangt met een pgb. Op 21 december 2021 heeft de kantonrechter de curator toestemming verleend tot het beheer van het pgb.
Op 26 januari 2022 heeft de curator namens appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van beheer van het pgb door de curator voor het jaar 2022 tot een bedrag van € 664,29 bruto.
Met een besluit van 16 mei 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 26 januari 2023 (bestreden besluit), heeft het bestuur de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat geen sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. Appellant heeft namelijk, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet aannemelijk gemaakt dat hij is aangewezen op de zorg bij [naam zorgboerderij] en daarmee op zorg die wordt ingekocht met een pgb.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.