Home

Centrale Raad van Beroep, 07-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1525, 24/254 PW

Centrale Raad van Beroep, 07-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1525, 24/254 PW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
7 oktober 2025
Datum publicatie
28 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1525
Zaaknummer
24/254 PW

Inhoudsindicatie

Terugvordering AIO-aanvulling. Voorschotten. Grondslag. Geslaagd beroep op evenredigheidsbeginsel. Geen evenwichtige belangenafweging. Nader besluit. Zelf voorzien. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Hoger beroep tegen tussenuitspraak en einduitspraak. Op grond van art. 58 lid 2 onder d PW kunnen alleen die voorschotten kunnen worden teruggevorderd die zijn verstrekt zolang het recht op algemene bijstand (hier in de vorm van AIO-aanvulling) niet bij besluit op de aanvraag is vastgesteld. In dit geval waren de voorschotten echter pas verstrekt nadat het recht op AIO-aanvulling met het primaire besluit was vastgesteld. Om die reden kon de Svb deze voorschotten dan ook niet op grond van art. 58 lid 2 onder d PW terugvorderen. De Svb is wel bevoegd om deze op grond van art. 4:95 lid 4 Awb terug te vorderen. De Svb heeft overige omstandigheden van het geval waaronder de oorzaken en gevolgen van en eigen aandeel in het ontstaan van de terugvordering onvoldoende meegewogen. Uitgaande van de waarde van de woning van € 18.000,-, en de vermogensgrens van € 12.240,- (per 1 januari 2019) was sprake van een overschrijding van de grens van het vrij te laten vermogen van € 5.760,-. Een terugvordering van een bedrag van € 9.670,88 is in de gegeven omstandigheden dan ook niet evenredig. In het geval van appellanten is een terugvordering van verstrekte voorschotten ter hoogte van de vermogensoverschrijding evenredig.

Uitspraak

24/254 PW , 24/746 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2022, (aangevallen tussenuitspraak) en 18 december 2023, 22/616 (aangevallen einduitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 7 oktober 2025

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een terugvordering van aan appellanten verstrekte voorschotten in verband met een aanvraag om aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) over de periode van 21 november 2019 tot en met 11 februari 2021 van € 14.230,40. Volgens de Svb kunnen deze voorschotten worden teruggevorderd omdat appellanten in die periode geen recht op een AIO-aanvulling hadden. Appellanten vinden dat zij die voorschotten niet ten onrechte hebben ontvangen en – voor zover dat wel het geval is – vinden zij de terugvordering niet redelijk. Appellanten krijgen deels gelijk waardoor het bedrag van de terugvordering lager wordt.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om vergoeding van schade ingediend. De Raad heeft besloten de zaak versneld te behandelen in verband met de te noemen gevoegde zaken.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen einduitspraak heeft de Svb op 14 februari 2024 een nieuw besluit (nader besluit) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 21/3053 PW en 22/3349 PW plaatsgehad op 25 juni 2024, waar namens appellanten is verschenen mr. Kramer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Schuurman en mr. J.G. Starreveld.

Het onderzoek is na de zitting heropend. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De Raad heeft partijen gewezen op hun recht om ter nadere zitting te worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard dat zij gebruik willen maken van dat recht. Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek vervolgens gesloten. In de zaken 21/3053 PW en 22/3349 PW wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellanten ontvangen een (onvolledig) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet en zijn vanuit Marokko geremigreerd. Op 11 november 2019 hebben appellanten zich bij de Svb gemeld voor het aanvragen van een AIO-aanvulling, waarna de aanvraag op 20 november 2019 bij de Svb is ingediend.

1.2.

Met een besluit van 9 maart 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 19 februari 2021, heeft de Svb de aanvraag van appellanten afgewezen. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten geen recht hebben op een AIO-aanvulling omdat zij beschikken over vermogen in de vorm van een woning in het buitenland dat hoger is dan de voor appellanten van toepassing zijnde vermogensgrens. Bij uitspraak van 21 juli 2021 heeft de rechtbank het standpunt van de Svb onderschreven en het beroep van appellanten tegen het besluit van 19 februari 2021 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden in de zaak 21/3053 PW heeft de Raad die uitspraak bevestigd.

1.3.

Hangende het bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2020 heeft de Svb, met een besluit van 29 juli 2020, appellanten met terugwerkende kracht vanaf 20 november 2019 voorschotten verstrekt in verband met de aanvraag om AIO-aanvulling. De Svb heeft eind juli 2020 een voorschot van € 7.755,24 betaalbaar gesteld.

1.4.

Op 2 maart 2021 hebben appellanten een nieuwe aanvraag om AIO-aanvulling bij de Svb ingediend. Met een besluit van 2 juni 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 december 2021, heeft de Svb appellanten met ingang van 12 februari 2021 een AIO-aanvulling toegekend naar de norm voor gehuwden. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Bij uitspraak van 14 september 2022 heeft de rechtbank het standpunt van de Svb onderschreven en het beroep van appellanten tegen het besluit van 22 december 2021 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden in de zaak 22/3349 PW heeft de Raad die uitspraak bevestigd.

1.5.

Met een besluit van eveneens 2 juni 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van ook 22 december 2021 (bestreden besluit), heeft de Svb de aan appellanten verstrekte voorschotten betrekking hebbend op de periode van 21 november 2019 tot en met 11 februari 2021 van in totaal € 14.230,40 van hen teruggevorderd.

Uitspraak van de rechtbank en nader besluit

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen tussenuitspraak geoordeeld dat de Svb het bestreden besluit, gelet op de hem toekomende discretionaire bevoegdheid om de bij wijze van voorschot verstrekte AIO-aanvulling terug te vorderen, onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens de rechtbank heeft de Svb niet gemotiveerd waarom hij niet eerder tot terugvordering heeft besloten en op welke wijze hij het beleid om het terugvorderingsbedrag niet te hoog te laten oplopen in het geval van appellanten heeft toegepast. De rechtbank heeft de Svb in de gelegenheid gesteld het motiveringsgebrek te herstellen.

2.1.

Bij brief van 3 oktober 2022 heeft de Svb gebruik gemaakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen en een aanvullende motivering gegeven.

2.2.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Svb opdracht gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellanten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Svb gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de verstrekte voorschotten op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de Participatiewet (PW) terug te vorderen. Daarbij dient de Svb in redelijkheid de hoogte van het terug te vorderen voorschotten vast te stellen. Het moest de Svb vanaf 21 september 2020, zijnde de dag van het nieuwe taxatierapport, duidelijk zijn dat bij terugvordering van de verstrekte voorschotten het vermogen van appellanten onder de voor hen geldende vermogensgrens viel. De Svb kon naar het oordeel van de rechtbank de verstrekte voorschotten over de periode vanaf 21 september 2020 tot en met 11 februari 2021 dan ook niet in redelijkheid van appellanten terugvorderen. De Svb zal in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar moeten berekenen om welk bedrag dit precies gaat en welk bedrag dan resteert om wel terug te vorderen.

2.3.

Ter uitvoering van de aangevallen einduitspraak heeft de Svb bij het nader besluit de terugvordering aan AIO-aanvulling verstrekte voorschotten vastgesteld op € 9.670,88.

Het standpunt van appellanten

3. Appellanten zijn het niet eens met de aangevallen tussenuitspraak en einduitspraak, voor zover die ziet op de opdracht aan de Svb om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Zij zijn het ook niet eens met het nader besluit. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht

Participatiewet