Centrale Raad van Beroep, 02-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1518, 24/1652 WMO15
Centrale Raad van Beroep, 02-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1518, 24/1652 WMO15
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2025
- Datum publicatie
- 27 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1518
- Zaaknummer
- 24/1652 WMO15
Inhoudsindicatie
Herziening aanvraag verzoek verstrekken maatwerkvoorziening beschermd wonen. Appellante heeft belang bij een beoordeling van het besluit tot weigering om de eerder aan haar verstrekte maatwerkvoorziening te herzien, zodat zij het leefgeld forfaitair ontvangt. Het college weigerde dit omdat niet kon worden vastgesteld of het verstrekken van forfaitair leefgeld passend en adequaat was zonder medisch onderzoek, waaraan appellante niet meewerkte. De Raad is van oordeel dat het beroep ontvankelijk is en dat appellante een inhoudelijk belang heeft bij de beoordeling van het besluit. Het bezwaar van appellante is terecht ongegrond verklaard en het bestreden besluit van 28 september 2023 blijft in stand. Vergoeding proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
24/1652 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 juli 2024, 23/6784 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
Datum uitspraak: 2 oktober 2025
Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat appellante wel belang heeft bij een beoordeling van het besluit tot weigering om de aan haar eerder verstrekte maatwerkvoorziening beschermd wonen te herzien, zodat aan haar het leefgeld forfaitair wordt verstrekt. De Raad oordeelt dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat nader onderzoek nodig is om vast te kunnen stellen of de verstrekte maatwerkvoorziening beschermd wonen met het verzochte forfaitair leefgeld, passend is. Nu dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden omdat appellante dit om haar moverende redenen niet wilde, heeft het college de herziening van de eerder verstrekte maatwerkvoorziening kunnen weigeren.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.R. Taylor hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft vragen van de Raad beantwoord, nadere stukken ingediend en een nadere reactie gegeven op het verweerschrift.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 augustus 2025, samen met de zaak 24/1647 WMO15. Voor appellante is mr. Taylor verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.S.S. Hamam.
In de zaak 24/1647 WMO15 heeft de Raad vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren in 1956, is bekend met psychische problematiek en een eetstoornis. In 2018 is zij verhuisd naar een zelfstandige eenpersoonswoning van de Stichting Regionale Instelling voor Beschermd Wonen Arnhem & Veluwe Vallei (RIBW) in [woonplaats] .1 Appellante ontvangt daar zorg in natura van de RIBW op grond van de door het college toegekende maatwerkvoorziening voor ‘Intramuraal beschermd wonen’ op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
Met een besluit van 6 juli 2022 heeft het college deze maatwerkvoorziening voortgezet voor de periode van 22 december 2020 tot en met 31 juli 2023.2
Op 19 januari 2023 heeft appellante een melding gedaan en op 6 maart 2023 een aanvraag ingediend bij het college tot het toekennen van forfaitair leefgeld. De RIBW weigert dit volgens appellante op grond van haar beleid.
Het college heeft dit verzoek opgevat als een verzoek tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening beschermd wonen met forfaitair leefgeld en daarmee tot herziening van de eerder verstrekte maatwerkvoorziening. Met een besluit van 30 maart 2023 heeft het college dit verzoek afgewezen. Omdat appellante niet meewerkt aan een medisch onderzoek, kan volgens het college namelijk niet worden vastgesteld of het verstrekken van de maatwerkvoorziening beschermd wonen met forfaitair leefgeld voor haar passend en adequaat is.
Met een besluit van 29 augustus 2023 heeft het college de maatwerkvoorziening beschermd wonen voortgezet van 1 augustus 2023 tot en met 31 juli 2024. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het college met een beslissing op bezwaar van 8 maart 2024 ongegrond verklaard.
Met een besluit van 28 september 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 maart 2023 kennelijk ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen procesbelang heeft. De rechtbank heeft de aanvraag van 6 maart 2023 aangemerkt als een verzoek tot herziening van een reeds verstrekte maatwerkvoorziening beschermd wonen. Die maatwerkvoorziening is echter door tijdverloop geëxpireerd op 1 augustus 2023. Gesteld noch gebleken is dat appellante schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. De besluitvorming over de daarna voortgezette maatwerkvoorziening staat in rechte vast, omdat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen de in dat kader genomen beslissing op bezwaar van 8 maart 2024. Dit brengt mee dat het beroep van appellante geen betekenis kan hebben voor een toekomstig besluit.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat de maatwerkvoorziening beschermd wonen onlangs weer is voortgezet tot 1 november 2025 en dat de vraag of het leefgeld forfaitair aan haar moet worden verstrekt nog steeds speelt. Een inhoudelijk oordeel hierover is dan ook van betekenis voor een procedure hierover en aanvragen in de toekomst. De rechtbank heeft dit niet onderkend en heeft ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Het college moet zorg dragen voor een passende maatwerkvoorziening. De huidige woning geeft haar veiligheid en houvast die zij graag wil behouden. Appellante vindt echter dat de wijze waarop de RIBW omgaat met het leefgeld haar vaardigheden om zelfstandig te gaan wonen niet stimuleert. Het achteraf verantwoorden van haar aankopen vindt zij te belastend. Het criterium voor de verstrekking van een forfaitair bedrag voor leefgeld moet zijn of iemand in staat is op basis van eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid, derhalve zonder toezicht of controle, boodschappen te doen. Dit kan worden onderzocht met een keukentafelgesprek of met een onderzoek naar alleen de financiële vaardigheden. Het medisch onderzoek dat het college verlangt, is ruimer dan nodig.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en het bestreden besluit van 28 september 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Het hoger beroep slaagt, maar het bestreden besluit van 28 september 2023 blijft in stand.
Procesbelang
De Raad heeft eerder overwogen dat als sprake is van een periode die al is verstreken, procesbelang aanwezig blijft als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.3De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat hiervan sprake is. Ook na het bestreden besluit heeft het college aan appellante periodiek de maatwerkvoorziening beschermd wonen zonder forfaitair leefgeld verstrekt. Daarbij verschillen partijen steeds van inzicht over de vraag of de maatwerkvoorziening beschermd wonen moet worden aangeboden met forfaitair leefgeld. Appellante maakt ook nu nog gebruik van de maatwerkvoorziening beschermd wonen via de RIBW. Er bestaat dan ook nog steeds een belang voor appellante bij de beantwoording van de vraag of haar ten onrechte geen forfaitair leefgeld als onderdeel van de verstrekte maatwerkvoorziening beschermd wonen is toegekend. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De Raad dient vervolgens het beroep van appellante tegen het bestreden besluit te beoordelen.
Forfaitair leefgeld
Met haar verzoek heeft appellante te kennen gegeven dat de eerder aan haar verstrekte maatwerkvoorziening beschermd wonen, waarvan het toezicht op het leefgeld onderdeel uitmaakt, niet langer passend is, omdat daarmee onvoldoende recht wordt gedaan aan haar zelfredzaamheid en de verdere bevordering daarvan.
Het college heeft toegelicht dat de maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt geboden in de vorm van intramurale zorg, in natura, onder meer bestaande uit begeleiding, huisvesting en levensmiddelen (eten en drinken). Normaal gesproken zou de RIBW deze levensmiddelen in natura verstrekken. Om cliënten meer regie over hun eigen leven te geven heeft de RIBW ervoor gekozen om, in plaats van levensmiddelen, budgetten per locatie ter beschikking te stellen, zodat bewoners zelf, indien nodig met begeleiding, inkopen kunnen doen. Dat gebeurt door per adres een rekening te openen, waarop de budgetten gestort worden. De cliënten krijgen per adres een bankpas ter beschikking. Aan de hand van bankafschriften en kassabonnen wordt nagegaan of de cliënten de ter beschikking gestelde budgetten voor het juiste doel aanwenden. Omdat appellante op een eenpersoonslocatie woont heeft zij een eigen budget en bankpas. Het college acht het verstrekken van een maatwerkvoorziening beschermd wonen met forfaitair leefgeld in beginsel in strijd met de doelstelling van beschermd wonen. Toezicht op de besteding van het boodschappengeld is noodzakelijk ter bescherming van de betrokkene. Het college wil medisch advies over de vraag of forfaitair leefgeld in dit geval passend is.
Gelet op het hiervoor onder 6.2 beschreven doel van het toezicht op de besteding van het leefgeld bij beschermd wonen in samenhang bezien met de problematiek van appellante, waaronder een eetstoornis, komt de Raad tot het oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat naast een keukentafelgesprek en/of een onderzoek naar de financiële vaardigheden van appellante, medisch onderzoek nodig is om vast te kunnen stellen of de maatwerkvoorziening beschermd wonen, zonder toezicht op het leefgeld en dus met forfaitair leefgeld, passend is. Nu dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden omdat appellante dit om haar moverende redenen niet wilde, heeft het college de herziening van de eerder verstrekte maatwerkvoorziening kunnen weigeren.