Home

Centrale Raad van Beroep, 22-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1517, 24/2871 WLZ

Centrale Raad van Beroep, 22-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1517, 24/2871 WLZ

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22 oktober 2025
Datum publicatie
27 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1517
Zaaknummer
24/2871 WLZ

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing aanvraag meerzorg Wlz. Het zorgkantoor heeft de meerzorgaanvraag op onjuiste wijze beoordeeld en de afwijzing onvoldoende onderbouwd. Het zorgkantoor moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met een toetsbare vergelijking van de vastgestelde zorgbehoefte van betrokkene met het geïndiceerde zorgprofiel. Tot dat besluit krijgt betrokkene een voorlopige verhoging van het PGB voor 16 uur extra zorg per week.

Uitspraak

24/2871 WLZ, 25/608 WLZ

Datum uitspraak: 22 oktober 2025

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 november 2024, 24/2813 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Stichting Menzis Zorgkantoor (zorgkantoor)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een afwijzing van een aanvraag om meerzorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wlz. Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft het zorgkantoor zich niet op het standpunt gesteld dat betrokkene alleen in aanmerking kan komen voor meerzorg als sprake is van een extra aandoening. Toch moet het zorgkantoor een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen, omdat het zorgkantoor de meerzorgaanvraag op onjuiste wijze heeft beoordeeld en de afwijzing niet goed heeft onderbouwd. Het zorgkantoor heeft namelijk alleen in algemene termen een vergelijking gemaakt tussen de zorgbehoefte van betrokkene en de beschrijving van de zorg die hoort bij het voor betrokkene geïndiceerde zorgprofiel. Deze vergelijking is onnavolgbaar en de conclusie van het zorgkantoor dat de zorgbehoefte van betrokkene passend is binnen het geïndiceerde zorgprofiel is niet inzichtelijk en onvoldoende gemotiveerd. Het zorgkantoor moet daarom een nieuw onderzoek doen naar de situatie van betrokkene en een meer inzichtelijke beoordeling maken van de meerzorgaanvraag.

PROCESVERLOOP

Het zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld en, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, een besluit van 8 januari 2025 ingezonden (bestreden besluit 2).

Namens betrokkene heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat, een verweerschrift en een zienswijze op het bestreden besluit 2 ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2025. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. de Jong, mr. A.S.S. Smulders en V. Piscaer. Voor betrokkene zijn verschenen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. Vermaat.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Betrokkene, geboren in 1960, heeft niet-aangeboren hersenletsel als gevolg van een herseninfarct in 2022. Hij heeft acht weken in coma gelegen. Er is sprake van afasie en halfzijdige verlamming. Ook zijn er vergroeiingen in schouders en heupen ontstaan Hierdoor ondervindt betrokkene verschillende lichamelijke en psychische beperkingen. Met ingang van 8 maart 2023 is betrokkene geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz) voor het zorgprofiel Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging. Het zorgkantoor heeft op grond van de Wlz vanaf 20 april 2023 een persoonsgebonden budget (pgb) aan betrokkene verleend waarmee hij zorg inkoopt.

1.2.

Op 1 juni 2023 heeft betrokkene een aanvraag gedaan om meer zorg dan waarop hij op grond van het geïndiceerde zorgprofiel recht heeft (meerzorg).

1.3.

Met een besluit van 29 november 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 mei 2024 (bestreden besluit 1), heeft het zorgkantoor de aanvraag om meerzorg afgewezen. Het zorgkantoor heeft zich op het standpunt gesteld dat de zorgbehoefte van betrokkene passend is binnen het geïndiceerde zorgprofiel. Betrokkene komt daarom niet in aanmerking voor meerzorg. Het zorgkantoor heeft verder vastgesteld dat betrokkene wel voor de periode van 9 juni 2023 tot en met 8 juni 2026 in aanmerking komt voor een ophoging van het pgb vanwege ondoelmatigheid van de levering van zorg thuis op grond van de zogenoemde regeling Extra Kosten Thuis (EKT).

Uitspraak van de rechtbank en nadere besluitvorming

2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het zorgkantoor opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat het zorgkantoor bij de beoordeling van de aanvraag om meerzorg een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Ook blijkt niet dat het zorgkantoor het Toetsingskader Meerzorg 2024 heeft gehanteerd.

2.2.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het zorgkantoor bestreden besluit 2 genomen. In dit besluit heeft het zorgkantoor het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

3.1.

Het zorgkantoor is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Wat het zorgkantoor heeft aangevoerd, komt hierna aan de orde.

3.2.

Betrokkene heeft verweer gevoerd en aangegeven zich niet te kunnen vinden in bestreden besluit 2. Wat betrokkene heeft aangevoerd, komt hierna aan de orde.

Het oordeel van de Raad

BESLISSING

Bijlage: Voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en wetsgeschiedenis