Centrale Raad van Beroep, 16-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1516, 23/2115 WIA
Centrale Raad van Beroep, 16-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1516, 23/2115 WIA
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2025
- Datum publicatie
- 27 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1516
- Zaaknummer
- 23/2115 WIA
Inhoudsindicatie
Vaststelling hoogte dagloon WIA-uitkering. Niet toepassen startersregeling in artikel 18 Dagloonbesluit is in strijd met evenredigheidsbeginsel. Het Uwv heeft de uitbetaling van het vakantiegeld over de WW-uitkering van betrokkene meegenomen in de berekening van het aantal dagloondagen. De Raad is net als de rechtbank van oordeel dat in geval van betrokkene de 23 dagloondagen van oktober 2019 niet bij de vaststelling van het dagloon moeten worden betrokken.
Uitspraak
23/2115 WIA, 24/2554 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 juni 2023, 22/2960 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het dagloon van betrokkene voor haar WIAuitkering terecht per 6 oktober 2022 heeft vastgesteld op € 53,52. De Raad is het, met de rechtbank, niet eens met het Uwv. De Raad stelt het dagloon vast op € 64,60.
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Voor betrokkene heeft mr. L.H.E. Sweers een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft het Uwv verzocht de Raad te informeren of de uitspraken van de Raad van 30 juli 20241 over de berekening van het dagloon op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aanleiding geven om in de zaak van betrokkene tot een ander standpunt te komen. Het Uwv heeft hier bevestigend op geantwoord en op 17 oktober 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Betrokkene heeft een zienswijze ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 juni 2025. Voor het Uwv is M.J.H. Maas verschenen. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Sweers.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Betrokkene is bij besluit van 29 juni 2018 met ingang van 2 juli 2018 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Daarbij is haar meegedeeld dat als er niets in haar situatie zou wijzigen, zij tot en met 1 augustus 2019 recht zou hebben op een WWuitkering.
Bij brief van 4 juli 2019 heeft het Uwv betrokkene bericht dat haar WW-uitkering loopt tot en met 1 augustus 2019 en dat zij – zolang de WW-uitkering loopt – het formulier ‘inkomstenopgave’ moet toesturen. Bij brief van 1 oktober 2019 heeft het Uwv betrokkene nogmaals verzocht het formulier ‘inkomstenopgave’ over de maand augustus 2019 toe te sturen. Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft het Uwv de WW-uitkering van betrokkene met ingang van 1 augustus 2019 beëindigd, omdat het Uwv het formulier ‘inkomstenopgave’ niet heeft ontvangen. Uit de betaalspecificatie van 15 oktober 2019 volgt dat het Uwv betrokkene nog een bedrag van € 351,10 (bruto) aan vakantiegeld (vakantiebijslag) heeft betaald.
Op 4 mei 2020 is betrokkene in dienst getreden van een uitzendbureau. Op 8 oktober 2020 is er een einde aan dat dienstverband gekomen in verband met ziekte van betrokkene. Met ingang van 9 oktober 2020 is haar een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend.
Op 12 juli 2022 heeft betrokkene een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 10 augustus 2022 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 6 oktober 2022 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Het WIA-dagloon is berekend op € 26,28 (na indexering € 27,47). Daarbij is het Uwv uitgegaan van een referteperiode van 5 oktober 2019 tot en met 4 oktober 2020, van een totaal genoten sv-loon tijdens de referteperiode van € 6.858,80 en van 261 dagloondagen.
Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 10 augustus 2022 is bij de beslissing op bezwaar van 22 november 2022 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en tot betaling van het griffierecht in beroep. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv de in artikel 18 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) neergelegde startersregeling ten onrechte niet heeft toegepast bij het vaststellen van het dagloon van de WIA-uitkering van betrokkene, omdat het niet toepassen van deze bepaling in het geval van betrokkene in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv is van mening dat de startersregeling in het geval van betrokkene niet van toepassing is. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is volgens het Uwv geen sprake, omdat er geen omstandigheden en keuzes buiten de sfeer van betrokkene zijn. Naar aanleiding van de eerdergenoemde uitspraken van de Raad van 30 juli 2024 over loonloze tijdvakken heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2024 (bestreden besluit 2) het dagloon van betrokkene opnieuw berekend. Het dagloon is vastgesteld op € 53,52 (na indexatie). Het Uwv is daarbij uitgegaan van een (ongewijzigd) sv-loon van € 6.858,80 en 134 dagloondagen.
Het standpunt van betrokkene
Betrokkene heeft naar aanleiding van bestreden besluit 2 aangevoerd dat het Uwv het dagloon nog steeds te laag heeft vastgesteld. Volgens betrokkene heeft het Uwv niet alle loonloze tijdvakken buiten beschouwing gelaten, aangezien het Uwv nog steeds de maand oktober 2019 met 23 dagloondagen meerekent, terwijl zij in oktober 2019 geen sv-loon heeft genoten dat meetelt voor de hoogte van het WIA-dagloon. Volgens betrokkene zou moeten worden uitgegaan van 111 dagloondagen en zou het dagloon € 64,60 moeten bedragen.