Centrale Raad van Beroep, 15-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1513, 24/1584 WAJONG
Centrale Raad van Beroep, 15-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1513, 24/1584 WAJONG
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2025
- Datum publicatie
- 27 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1513
- Zaaknummer
- 24/1584 WAJONG
Inhoudsindicatie
Inkomstenkorting en de terugvordering Wajong-uitkering. Terecht geoordeeld dat de stagevergoeding moet worden gezien als inkomen en dat die in mindering moet worden gebracht op de uitkering van appellant. Beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Wat appellant heeft aangevoerd is niet aan te merken als een bijzondere, niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheid, die maakt dat artikel 2:40 van de Wajong in dit geval buiten toepassing zou moeten blijven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Uit artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder e, van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt dat een stagevergoeding, zoals door appellant is genoten, wordt aangemerkt als loon, en daarmee als inkomen in de zin van de Wajong.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 mei 2024, 24/300 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de Wajong-uitkering van appellant over de periode van 1 februari 2023 tot en met 30 april 2023 tot een bedrag van € 468,50 bruto heeft teruggevorderd, omdat hij een stagevergoeding heeft ontvangen waarmee geen rekening was gehouden. Volgens appellant had artikel 2:40 van de Wajong, waaruit volgt dat het inkomen deels in mindering komt op de Wajong-uitkering, in zijn geval buiten toepassing moeten worden gelaten. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot de conclusie dat het Uwv de stagevergoeding terecht deels op de Wajong-uitkering in mindering heeft gebracht en het teveel betaalde terecht heeft teruggevorderd.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 september 2025. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1994, ontvangt sinds 6 december 2012 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) vanwege een ernstige progressieve ziekte. In het kader van zijn opleiding HBORechten liep appellant van 13 februari 2023 tot en met 31 juli 2023 stage bij een advocatenkantoor, waarvoor hij een stagevergoeding ontving. Het Uwv heeft daarom de Wajong-uitkering van appellant vanaf 1 april 2023 uitbetaald als voorschot, zodat de inkomsten van appellant achteraf konden worden verrekend met zijn Wajong-uitkering.
Bij besluit van 25 mei 2023 (besluit 1) heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellant over de periode van 1 februari 2023 tot en met 30 april 2023 definitief berekend. Appellant heeft in deze periode € 468,50 bruto te veel uitkering ontvangen. Dit bedrag zal worden teruggevorderd.
Bij besluit van 6 juni 2023 (besluit 2) heeft het Uwv appellant meegedeeld dat appellant een nettobedrag van € 399,91 terug moet betalen binnen zes weken na de datum van de brief, maar uiterlijk vóór 31 december 2023.
Bij besluit van 14 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit niet in strijd is met het motiveringsbeginsel. In het bestreden besluit is weliswaar beknopt, maar voldoende inzichtelijk uiteengezet waarom de stagevergoeding moet worden gezien als inkomen en waarom die in mindering moet worden gebracht op de uitkering van appellant. Ook overigens is navolgbaar op grond waarvan het Uwv tot het bestreden besluit is gekomen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om de wettelijke verplichting tot inkomstenverrekening in dit geval onverbindend te verklaren of buiten toepassing te laten. De anticumulatieregeling maakt namelijk geen onderscheid in de aandoeningen van mensen met een Wajong-uitkering en voorziet er slechts in dat iemand met een Wajong-uitkering, die daarnaast inkomsten heeft, een gedeelte van die inkomsten mag houden. Het overige wordt verrekend. Het is begrijpelijk dat appellant de uitkomst in zijn geval als onrechtvaardig ervaart, maar dat betekent niet dat het Uwv gehouden zou zijn af te zien van de dwingend voorgeschreven wijze van inkomstenverrekening. De omstandigheid dat een gedeelte van de inkomsten mag worden gehouden, houdt in zijn algemeenheid een stimulans tot werken in en daarmee is het doel van de wetgever gediend. Hierbij wordt geen rekening gehouden met individuele omstandigheden. Niet kan worden gezegd dat het onevenredig is dat appellant vanwege zijn medische situatie van iedere verdiende euro niet meer dan € 0,30 mag houden. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. Volgens de rechtbank heeft appellant daarnaast onvoldoende onderbouwd dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De enkele vergelijking van zijn situatie met die van studenten die wel recht hebben op een volledige stagevergoeding gaat niet op. Anders dan die studenten verkeert appellant immers in een essentieel andere positie, namelijk die van iemand met een Wajong-uitkering. De wetgever heeft bepaald dat, in het geval iemand met een Wajonguitkering inkomsten uit werk heeft, die inkomsten op de Wajong-uitkering gekort moeten worden, zij het niet volledig. Dat heeft het Uwv gedaan. Daarbij heeft het Uwv geen mogelijkheid om onderscheid te maken in de soort aandoening als gevolg waarvan iemand een Wajong-uitkering heeft. Dit betekent dat het Uwv de te veel betaalde Wajong-uitkering over de periode van 1 februari 2023 tot en met 30 april 2023 terecht heeft teruggevorderd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de toepasselijke wet- en regelgeving onverbindend verklaard dient te worden. Er is sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel. Het doel van de wetgever, namelijk om werken te stimuleren, wordt in het geval van appellant niet gediend. Vanwege zijn aandoening kost het appellant veel meer energie om stage te lopen of te werken. Ook heeft het Uwv het gelijkheidsbeginsel geschonden. Werken en stage lopen is iets anders, zodat het niet gaat om gelijke gevallen. Appellant heeft in dit kader verwezen naar de parlementaire geschiedenis over het gelijktrekken van stagevergoedingen voor studenten van verschillende niveaus. Hieruit volgt volgens hem dat een stagevergoeding iets anders is dan loon.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.