Home

Centrale Raad van Beroep, 08-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1495, 23/2126 WIA

Centrale Raad van Beroep, 08-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1495, 23/2126 WIA

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
8 oktober 2025
Datum publicatie
15 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1495
Zaaknummer
23/2126 WIA

Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 57,96% onterecht. Motiveringsgebrek. Benoeming deskundige. Zorgvuldig onderzoek. De Raad volgt de deskundige dat er een medische grond is voor het aanscherpen van de energetische beperkingen van appellante. Appellante is op de datum in geding, 5 januari 2021, meer beperkt dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad draag het Uwv op een nieuwe beslissing op bewaar te nemen. Vergoeding proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

23/2126 WIA

Datum uitspraak: 8 oktober 2025

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2023, 22/3031 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 januari 2021 terecht heeft vastgesteld op 57,96%. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt de door hem benoemde deskundige en komt tot de conclusie dat appellante op 5 januari 2021 meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. Het Uwv moet opnieuw beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft verzekeringsarts M. Roos-Vervoort als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 7 oktober 2024 gerapporteerd. Naar aanleiding van de reactie van partijen, heeft de deskundige op 22 april 2025 nader gerapporteerd. Partijen hebben daarop gereageerd.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als relatiebeheerder/consultant voor 40 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 29 augustus 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80,24%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 29 juli 2018 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij appellante onverminderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geacht.

1.2.

In verband met een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 maart 2021. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante onvoldoende functies kunnen selecteren om tot een theoretische verdiencapaciteit van meer dan 20% te komen. Gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante bij besluit van 8 maart 2021 ongewijzigd voortgezet.

1.3.

Bij besluit van 24 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de exwerkgever van appellante tegen het besluit van 8 maart 2021 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 januari 2021 vastgesteld op 57,96%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil is beperkt tot de urenbeperking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat een urenbeperking van 32 uur geïndiceerd is. De rapporten van verzekeringsarts E.C. van der Eijk hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht.

Het standpunt van appellante

3.1.

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante zijn de uit haar intensieve chemotherapie voortkomende cognitieve en vermoeidheidsklachten onderschat en had een verdergaande urenbeperking moeten worden aangenomen. Appellante heeft gesteld dat de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bovendien inconsistent is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de door haar in beroep ingebrachte rapporten van verzekeringsarts Van der Eijk. Omdat uit die rapporten blijkt van ten opzichte van de verzekeringsarts bezwaar en beroep beredeneerd afwijkende bevindingen, had de rechtbank volgens appellante een onafhankelijk deskundige moeten benoemen. Zij heeft de Raad verzocht om dit alsnog te doen.

Het standpunt van het Uwv

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING