Centrale Raad van Beroep, 07-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1477, 22/3600 PW
Centrale Raad van Beroep, 07-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1477, 22/3600 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2025
- Datum publicatie
- 16 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1477
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2024:7927, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 22/3600 PW
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvragen. Bijzondere bijstand voor kosten elektra voor meerdere hulpmiddelen. Geen voorliggende voorziening. Opdracht nieuwe beslissing op bezwaar. Niet in geschil is dat de Zvw voor de aanschafkosten van hulpmiddelen (o.m. een triple-stoel) een voorliggende voorziening is, maar voor de elektrakosten voor het gebruik van die middelen niet. Verder is niet in geschil dat appellante elektrakosten heeft die iemand die deze hulpmiddelen niet heeft niet maakt. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of art. 15 lid 1 2e volzin PW in de weg staat aan bijstandverlening voor die meerkosten. Uit de aard van de hier in geding zijnde kosten en de tekst en strekking van art. 2.9 lid 2 Bzv volgt naar het oordeel van de Raad dat de kosten van elektra voor het gebruik van de op grond van de Zvw aan appellante verstrekte hulpmiddelen niet als medische kosten aan te merken zijn en dat deze daarom buiten de reikwijdte van de Zvw vallen. Voor deze kosten is de Zvw dus geen voorliggende voorziening. Art. 15 lid 1 PW staat daarmee niet in de weg aan verlening van bijzondere bijstand.
Uitspraak
22/3600 PW , 24/1903 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2022 (aangevallen uitspraak 1) en van 11 juli 2024 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellante] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Het gaat in deze zaken om de afwijzing van aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van elektra voor meerdere hulpmiddelen voor verschillende jaren. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor deze kosten een voorliggende voorziening is. Volgens appellante is deze wet in haar geval geen voorliggende voorziening. Zij krijgt hierin gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 en een nader stuk ingediend.
Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2. Appellante heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 22 april 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wijling en mr. E. van Brandwijk, advocaten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Duinhouwer en mr. W. Breure.
Met e-mailberichten van 29 en 30 juli 2025 hebben partijen aan de Raad meegedeeld dat zij een schikking hebben getroffen voor zover de besluitvorming ziet op afwijzing van aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van elektra voor het gebruik van meerdere hulpmiddelen die op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 aan appellante zijn verstrekt. Partijen wensen alleen nog een uitspraak van de Raad over de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand voor de elektrakosten voor het gebruik van hulpmiddelen die op grond van de Zvw aan appellante zijn verstrekt.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontvangt sinds 1 september 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
Appellante maakt vanwege haar medische beperkingen onder meer gebruik van een op grond van de Zvw aan haar verstrekte triple-stoel, sta-op-stoel, AD matras/luchtwisselmatras en een CPAP-apparaat (hulpmiddelen).
Appellante heeft op 28 mei 2021 en op 18 januari 2023 bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW aangevraagd voor de kosten van elektra over de jaren 2020 tot en met 2023 die gepaard gaan met het gebruik van de hulpmiddelen (meerkosten van elektra). Met twee afzonderlijke besluiten van 29 juni 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 februari 2022 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvragen over 2020 en 2021 afgewezen. Met een besluit van 7 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 september 2023 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvragen over 2022 en 2023 afgewezen. Het college heeft aan de bestreden besluiten 1 en 2 ten grondslag gelegd dat de aanschaf van de hulpmiddelen vergoed wordt op basis van de Zvw. De kosten van elektra die met het gebruik van deze – noodzakelijke – hulpmiddelen gepaard gaan, zijn inherent en onlosmakelijk verbonden aan het gebruik van deze hulpmiddelen. Zij dienen daarom op grond van artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering (Bzv) aangemerkt te worden als normale gebruiks- dan wel bestaanskosten die voor eigen rekening komen. Deze kosten zijn dus door de Zvw als niet noodzakelijk aangemerkt. Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand verstrekt.
Uitspraken van de rechtbank
De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat de Zvw voor de kosten van elektra voor de hulpmiddelen een toereikende en passende voorliggende voorziening is in de zin van artikel 15, eerste lid, van de PW. Artikel 15, eerste lid, van de PW staat in de weg aan de verlening van bijzondere bijstand voor de kosten van elektra voor de hulpmiddelen.
De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat artikel 15, eerste lid, van de PW in beginsel in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor de kosten van elektra voor de hulpmiddelen, maar dat strikte toepassing van artikel 15, eerste lid, van de PW in het geval van betrokkene leidt tot strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het standpunt van appellante en het college
3. Appellante is het met aangevallen uitspraak 1 niet eens en het college is het met aangevallen uitspraak 2 niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.