Home

Centrale Raad van Beroep, 02-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1462, 24/1647 WMO15

Centrale Raad van Beroep, 02-10-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1462, 24/1647 WMO15

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
2 oktober 2025
Datum publicatie
7 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1462
Zaaknummer
24/1647 WMO15

Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank een brief van appellante van 10 februari 2023 terecht heeft aangemerkt als een melding in de zin van de Wmo 2015, en of het beroep tegen het niet tijdig beslissen op deze brief terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de beslistermijn nog niet was aangevangen. De Raad is van oordeel dat het niet gaat om een melding. Evenmin is sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De Raad kwalificeert de brief als een verzoek van appellante aan het college om het beleid van [stichting] te beoordelen, in het bijzonder wat betreft het leefgeld bij eenpersoonswoningen. Daarmee is het verzoek gericht op een feitelijke handeling en niet op het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zodoende heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het niet tijdig beslissen terecht, zij het op andere gronden, niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

24/1647 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 juli 2024, 23/2649 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

Datum uitspraak: 2 oktober 2025

Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank een brief van appellante van 10 februari 2023 terecht heeft aangemerkt als een melding in de zin van de Wmo 2015, en of het beroep tegen het niet tijdig beslissen op deze brief terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de beslistermijn nog niet was aangevangen. De Raad is van oordeel dat het niet gaat om een melding. Evenmin is sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De Raad kwalificeert de brief als een verzoek van appellante aan het college om het beleid van [stichting] te beoordelen, in het bijzonder wat betreft het leefgeld bij eenpersoonswoningen. Daarmee is het verzoek gericht op een feitelijke handeling en niet op het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zodoende heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het niet tijdig beslissen terecht, zij het op andere gronden, niet-ontvankelijk verklaard.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Taylor hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 augustus 2025, samen met de zaak 24/1652 WMO15. Voor appellante is mr. Taylor verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.S.S. Hamam.

In de zaak 24/1652 WMO15 heeft de Raad vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante, geboren in 1956, is bekend met psychische problematiek en een eetstoornis. In 2018 is zij verhuisd naar een zelfstandige eenpersoonswoning van de [naam stichting] ([stichting]) in [woonplaats] .1 Appellante ontvangt daar zorg in natura van [stichting] op grond van een door het college verstrekte maatwerkvoorziening voor ‘Intramuraal beschermd wonen’ op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

1.2.

Op 23 september 2019 heeft appellante aan het college een brief gestuurd. Zij heeft hierin vermeld dat de wijze waarop het leefgeld binnen de locatie [woonplaats] van [stichting] wordt uitbetaald onvoldoende recht doet aan haar zelfredzaamheid en de verdere bevordering daarvan. [stichting] voldoet hiermee volgens haar niet aan het doel van de Wmo 2015 en levert geen maatwerk. Appellante heeft het college verzocht hiertegen handhavend op te treden. In verband met een beroep bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek en een verzoek om een dwangsom heeft de Raad in een uitspraak van 2 februari 20232 deze brief, in combinatie met de verklaringen van de gemachtigde van appellante tijdens de zitting op 18 januari 2023, aangemerkt als een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015. Gevolg is dat appellante het college te vroeg in gebreke heeft gesteld en de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

1.3.

Met een besluit van 6 juli 2022 heeft het college de maatwerkvoorziening beschermd wonen voortgezet voor de periode van 22 december 2020 tot en met 31 juli 2023.3

1.4.

Op 19 januari 2023 heeft appellante een melding gedaan en op 6 maart 2023 een aanvraag ingediend bij het college voor wijziging van de maatwerkvoorziening beschermd wonen, in die zin dat het leefgeld forfaitair aan haar zal worden verstrekt en appellante haar uitgaven niet meer achteraf hoeft te verantwoorden. Daarop is bij besluit van 30 maart 2023 afwijzend beslist door het college. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van heden in de zaak 24/1652 WMO15.

1.5.

Op 10 februari 2023 heeft appellante aan het college een brief gestuurd. Daarin heeft zij aangevoerd dat de wijze waarop [stichting] het leefgeld beschikbaar stelt ten onrechte geen onderscheid maakt tussen cliënten in groepswoningen en zelfstandig wonende cliënten. Een beleid waarbij het budget op forfaitaire basis aan de meer zelfstandige cliënten, zoals appellante, beschikbaar wordt gesteld, ontbreekt. Daardoor is het beleid van [stichting] volgens appellante niet gericht op het zo zelfstandig mogelijk functioneren en op de maximale persoonlijke ontplooiing van cliënten. Zij heeft het college verzocht om handhavend jegens [stichting] op te treden.

1.6.

Op 8 april 2023 heeft appellante het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek.

1.7.

Op 10 mei 2023 heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek. Daarnaast heeft zij verzocht om een dwangsom.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de brief van 10 februari 2023, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 februari 2023, gekwalificeerd als een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015. Dit betekent dat het college onderzoek had moeten verrichten. Appellante had tot zes weken na deze brief een aanvraag kunnen indienen. Het college heeft ten onrechte geen onderzoek verricht en appellante heeft geen aanvraag ingediend. Hierdoor is de beslistermijn van artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015 nog niet aangevangen. Dit betekent dat appellante het college te vroeg in gebreke heeft gesteld.

Het standpunt van appellante

3.1.

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De rechtbank heeft de brief van 10 februari 2023 in haar visie ten onrechte aangemerkt als een melding. Een dag na de zitting bij de Raad op 18 januari 2023, heeft appellante op 19 januari 2023 een melding gedaan en op 6 maart 2023 een aanvraag ingediend bij het college voor een forfaitair budget aan leefgeld (zie 1.4). Die aanvraag moet los worden gezien van het onderhavige verzoek van 10 februari 2023. Tijdens de zitting bij de Raad op 21 augustus 2025 heeft de gemachtigde van appellante toegelicht dat op grond van de Wmo 2015 het college verantwoordelijk is dat maatwerk wordt geleverd en dat er op moet worden toegezien dat de begeleiding die appellante ontvangt van [stichting] is afgestemd op haar behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden en is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid. Het gaat om een handhavingsverzoek. Appellante wil dat het college het beleid van [stichting] toetst omdat hierin ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen categorieën bewoners. Het college had uiterlijk op 22 april 2023 een besluit moeten nemen en heeft dat niet gedaan. De rechtbank had het beroep dan ook gegrond moeten verklaren.

Standpunt van het college

3.2.

Het college stelt zich – onder meer – op het standpunt dat appellante vraagt om een onderzoek door het college naar het beleid van [stichting]. Daarmee is het verzoek gericht op een feitelijke handeling en niet op een publiekrechtelijke handeling. Het is dan ook geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarop een besluit in de zin van de Awb moet worden genomen.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels