Centrale Raad van Beroep, 30-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1450, 22/3038 PW
Centrale Raad van Beroep, 30-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1450, 22/3038 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 30 september 2025
- Datum publicatie
- 8 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1450
- Zaaknummer
- 22/3038 PW
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor tandartskosten. Voorliggende voorziening. Geen zeer dringende redenen. Tegenwettelijk begunstigend beleid. Toepassing uitspraak grote kamer. Meest goedkope en adequate voorziening. De Raad stelt vast dat het beleid tegenwettelijk begunstigend is, omdat het ingaat tegen het bepaalde in art. 15 lid 1 PW. Volgens het beleid is een implantaat niet de meest goedkope en adequate voorziening en komen de kosten daarvoor daarom niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Het college heeft de aanvraag van betrokkene overeenkomstig dit beleid afgewezen. Het betoog van betrokkene dat het plaatsen van een implantaat in zijn geval de geschikte behandeling was, kan hem niet baten.
Uitspraak
22/3038 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juli 2022, 22/1640 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 30 september 2025
In deze zaak heeft het college de aanvraag van betrokkene om bijzondere bijstand voor de kosten van het plaatsen van een implantaat afgewezen, omdat er een voorliggende voorziening is (artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet (PW)), er geen sprake is van zeer dringende redenen (artikel 16, eerste lid, van de PW) en betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van het beleid voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen. Het beleid houdt onder meer in dat voor tandartskosten alleen bijzondere bijstand wordt verleend indien de gekozen behandeling de meeste goedkope en adequate voorziening is en het plaatsen van een implantaat is dat volgens het beleid niet. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat een implantaat niet de meest goedkope en adequate voorziening is. Het college is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en krijgt in hoger beroep gelijk.
PROCESVERLOOP
Het college heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2025. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling en S. Kalpoe. Betrokkene is verschenen.
De Raad heeft partijen na afloop van de zitting schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is heropend in afwachting van een uitspraak van de grote kamer van de Raad (grote kamer).
De grote kamer heeft op 15 mei 2025 uitspraak gedaan.1 De Raad heeft deze uitspraak aan partijen toegezonden en hen gevraagd welke gevolgen deze uitspraak heeft voor hun zaak.
Beide partijen hebben gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nader onderzoek ter zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Betrokkene heeft op 16 december 2021 een aanvraag op grond van de PW ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van het plaatsen van een implantaat.
Met een besluit van 19 januari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 5 april 2022 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet moet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Aan de voorwaarden om desondanks tot verlening van bijzondere bijstand over te gaan, die zijn gesteld in artikel 13 van de Richtlijn Bijzondere Bijstand Utrecht (RBBU) en nader uitgewerkt in de uitvoeringsinstructie Stimulanz (Uitvoeringsinstructie) (het beleid), voldoet betrokkene niet. Verder is niet gebleken van zeer dringende redenen om tot bijstandverlening over te gaan, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, het besluit van 19 januari 2022 herroepen en bepaald dat het college aan betrokkene bijzondere bijstand toekent tot een bedrag van € 942,77. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door betrokkene gekozen behandeling niet de meest goedkope en adequate voorziening is.
De standpunten van partijen
3. Het college is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, verder aan de orde.