Centrale Raad van Beroep, 24-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1437, 24/1751 WIA
Centrale Raad van Beroep, 24-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1437, 24/1751 WIA
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 24 september 2025
- Datum publicatie
- 3 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1437
- Zaaknummer
- 24/1751 WIA
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 37,34% niet terecht. Motiveringsgebrek. De Raad is van oordeel dat de verzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en in het expertiserapport van 20 november 2023 inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. De conclusies van de verzekeringsarts worden gevolgd. De medische beperkingen en de belastbaarheid van appellante zijn niet correct vastgesteld. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Uitspraak
24/1751 WIA
Datum uitspraak: 24 september 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 juli 2024, 23/1382 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 17 maart 2022 heeft vastgesteld op 37,74%. Appellante heeft aangevoerd dat zij als gevolg van long-COVID meer medische beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante een rapport overgelegd van een door haar ingeschakelde verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat het Uwv de medische belastbaarheid van appellante niet goed heeft vastgesteld en dat de beperkingen van appellante zijn onderschat onder meer ten aanzien van de urenbeperking. De Raad volgt de verzekeringsarts van appellante en concludeert dat het bestreden besluit niet op een draagkrachtige motivering berust. De Raad draagt het Uwv op dit gebrek te herstellen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.B. Tol hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Tol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als activiteitenbegeleider C+ voor achttien uur per week. Op 19 maart 2020 heeft zij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten na een COVID-19-infectie. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een primaire arts en een arbeidsdeskundige. De primaire arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft door longCOVID en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juni 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 37,34%. Het Uwv heeft bij besluit van 13 juni 2022 aan appellante met ingang van 17 maart 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
Bij besluit van 24 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Procedure in beroep
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft – onder meer – aangevoerd dat de artsen van het Uwv haar medische problematiek hebben onderschat. Het Uwv is bij de medische beoordeling ten onrechte van één diagnose, te weten long-COVID (diagnosecode R605) is uitgegaan. Zij heeft benoemd dat zij niet alleen door long-COVID in haar belastbaarheid belemmerd wordt. Zij heeft daarbij verwezen naar informatie van de bedrijfsarts van 20 december 2021, waarin ook de diagnosecodes C699, overige aandoeningen van het hart- en vaatstelsel en R669, chronische obstructieve longaandoening (COPD) NNO, worden genoemd. Appellante heeft betwist dat zij vijf uur per dag en 25 uur per week kan werken. Appellante heeft benoemd dat zij na een paar uur (lichte) inspanning een hersteltijd nodig heeft. Zij heeft verwezen naar informatie van de bedrijfsarts van 20 december 2021 waarin is beschreven dat er sprake is van een terugval waardoor zij niet pas na twee uur inspanning twintig minuten moet rusten, maar al na anderhalf uur. Dit wijst volgens appellante op een noodzaak om frequent te recupereren vanwege een stoornis in de energiehuishouding. Appellante heeft aangevoerd dat zij daarnaast verminderd beschikbaar is vanwege diverse behandelingen. Volgens appellante had het Uwv hierin aanleiding moeten zien een grotere urenbeperking vast te stellen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante informatie ingebracht van haar revalidatiearts van 17 maart 2023, 14 april 2023 en 2 februari 2024, ergotherapeut van 18 juli 2022 en 19 april 2023, psychosomatisch fysiotherapeut van 21 april 2023, GZ-psycholoog van 19 mei 2023, een reintegratievisie van ’s Heeren Loo van 8 maart 2023 en een expertiserapport van 20 november 2023 van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek door verzekeringsarts H.P. Balk van Sazyes. Balk heeft daarin vermeld dat appellante niet meer dan twee uur per dag (met een uitloop tot drie uur) en tien uur per week (met een uitloop tot twaalf uur) belastbaar is, zonder nachtdiensten of wisselende diensten. Balk heeft verder benoemd op welke aspecten op cognitief, fysiek en psychisch gebied hij appellante meer beperkt acht. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een kopie toegezonden van de folder ‘De Activiteitenweger’ van Meander Medisch Centrum, een afschrift van een besluit van 15 april 2021 waarbij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aan haar echtgenoot hulp in het huishouden is toegekend voor 900 minuten per week, een nieuwsbericht over een onderzoek door Amsterdam UMC en de Vrije Universiteit waarin is beschreven dat long-COVID een lichamelijke oorzaak heeft, een handreiking ergotherapie bij cliënten met het postCOVIDsyndroom en persoonlijke verslagen van haar dagverhaal.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de gezondheidstoestand van appellante heeft gemist. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd. De rechtbank heeft hierbij het volgende van belang geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benoemd dat de revalidatiearts in zijn brief van 7 maart 2022 heeft vermeld dat de energie en fysieke prestaties van appellante toenamen. Appellante zou haar hardloopschema zelfstandig thuis kunnen gaan uitvoeren en stapsgewijs haar deelname aan haar oude sportgroep in duur kunnen gaan uitbreiden. De ergotherapeut heeft benoemd dat appellante goede planningsvaardigheden heeft en de psycholoog heeft beschreven dat er een duidelijke verbetering is van het zelfbeeld. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden er geen specifieke psychische en/of cognitieve problemen beschreven. Gelet op de datum van het afronden van de revalidatie (28 december 2021) en de beoordelingsdatum voor de WIA (17 maart 2022) heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep doorslaggevende betekenis toegekend aan het eindverslag van de revalidatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen medische argumenten gezien voor de strikte recuperatiebehoefte die appellante ervaart. Met de vastgestelde urenbeperking van vijf uur per dag en 25 uur per week wordt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende tegemoetgekomen aan de energetische problematiek van appellante. Ook zijn er geen gegevens waaruit blijkt dat bij appellante in objectieve zin sprake is van een verstoorde geheugenfunctie. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat de artsen van het Uwv van een te beperkt medisch dossier zijn uitgegaan omdat zij de door de bedrijfsarts vermelde aandoeningen van het hart- en vaatstelsel en COPD NNO niet hebben opgenomen in het diagnostisch kader. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het medische feitencomplex volledig en goed in beeld heeft gebracht, waarbij de informatie van de cardioloog en longarts betrokken is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van deze informatie aangenomen dat er sprake is van geringe beperkingen die niet noodzaken tot specifieke beperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij meer beperkt is. De rechtbank is onvoldoende overtuigd dat Balk de medische situatie van appellante op de datum in geding heeft beoordeeld. Balk heeft appellante op 7 juni 2023 onderzocht en een dagverhaal van 7 juni 2023 opgetekend. De informatie van de revalidatiearts en ergotherapeut uit maart en april 2023 liggen na de datum in geding. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat de gezondheidstoestand van appellante na de datum in geding is verslechterd. Over de door appellante in beroep ingebrachte stukken van onderzoeken door Amsterdam UMC en de Vrije Universiteit, de handreiking post-COVID en de Activiteitenweger heeft de rechtbank overwogen dat deze niet tot een ander oordeel aanleiding geven omdat het algemene stukken betreffen die niet zien op de (medische) situatie van appellante. Naar het oordeel van de rechtbank moet appellante in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de belastbaarheid zoals verwoord in de FML van 1 juni 2022.
Het standpunt van appellante
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd meer beperkt te zijn dan waarvan het Uwv in de FML van 1 juni 2022 is uitgegaan. Het Uwv en de rechtbank zijn bij de beoordeling te selectief en eenzijdig geweest in de weging van de beschikbare informatie van haar behandelaars. Ook is de door de revalidatiearts benoemde Activiteitenwijzer niet meegenomen bij de beoordeling. Uit deze Activiteitenwijzer blijkt dat haar dagritme veel rustmomenten kent, wat aanleiding moet geven tot een vergaande urenbeperking. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van Balk van 20 november 2023 ten onrechte buiten beschouwing gelaten met het argument dat het onderzoek niet ziet op de datum in geding. In het rapport van Balk wordt veelvuldig teruggegrepen op stukken die ook door het Uwv bij de beoordeling zijn betrokken. Volgens appellante mag de omstandigheid dat de diagnostiek en behandeling van longCOVID-klachten nog in de kinderschoenen staat er niet toe leiden dat het Uwv haar beperkingen niet erkent met als argument dat een objectieve onderbouwing ontbreekt. Appellante heeft aangevoerd last te hebben van post-exertionele malaise (PEM). Zij heeft toegelicht dat zij zowel bij de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemeld heeft dat bij haar sprake is van terugval na inspanning. Een terugval duurt niet enkele uren, maar duurt ook de dag erop voort en soms zelfs een langere periode. Appellante heeft met maatschappelijk werk een terugval preventieplan gemaakt. Door de PEM was zij genoodzaakt om te stoppen met haar hardloopschema, omdat haar klachten hierbij verergerden. Het Uwv heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de PEM bij de vaststelling van de urenbeperking. Het gaat om een aandoening waarbij sprake is van een patroon van overschrijding van de eigen grenzen, met een recidief of toename van symptomen tot gevolg. Het Uwv zou hierin op preventieve gronden argumenten moeten zien voor een grotere urenbeperking. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij al jaren last heeft van PEM heeft appellante een verklaring van haar huisarts ingebracht. Appellante heeft benoemd dat de behandelend sector is teruggekomen van het standpunt dat fysiotherapie en ergotherapie kunnen helpen bij een COVID-besmetting en dat pacing (energiebalans) nu als leidraad geldt. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Appellante stelt zich op het standpunt dat de voor haar geselecteerde (productie)functies niet passend zijn, omdat deze een te grote urenomvang hebben en daarin sprake is van veel lawaai en dus van prikkels. Appellante is juist aangewezen op een prikkelarme omgeving.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 januari 2025 verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.