Centrale Raad van Beroep, 16-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1420, 22/3343 PW
Centrale Raad van Beroep, 16-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1420, 22/3343 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 16 september 2025
- Datum publicatie
- 1 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1420
- Zaaknummer
- 22/3343 PW
Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering van bijstand. Boete. Schending inlichtingenverplichting. Cryptovaluta. Het college was niet op de hoogte van het bezit van cryptovaluta van appellant en hoefde daarvan enkel op grond van de overschrijving naar 2525 Ventures op de bankafschriften ook niet op de hoogte te zijn, zodat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De door appellant verstrekte gegevens geven geen inzicht in de (totale) waarde van zijn cryptovaluta in de te beoordelen periode - o.m. doordat geen inzage is gegeven in de accounts bij KuCoin en Binance - zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Uitspraak
22/3343 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 oktober 2022, 22/899 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)
Datum uitspraak: 16 september 2025
Deze zaak gaat over een intrekking en terugvordering van bijstand en het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant het bezit van accounts waarmee in cryptovaluta wordt gehandeld bij zijn aanvraag om bijstand en gedurende de bijstandsperiode niet heeft gemeld en geen inzicht heeft gegeven in de waarde van de cryptovaluta. Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat het college het recht op bijstand wel had kunnen vaststellen. Daarin krijgt hij geen gelijk. De intrekking, terugvordering en de boete blijven in stand.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juni 2025. Voor appellant is verschenen mr. Schriemer. Appellant heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W. de Kroon-de Heij.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontving in de periode van 30 april 2020 tot en met 30 september 2021 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (PW).
Het college heeft naar aanleiding van een signaal dat appellant cryptovaluta bezit en/of daarin zou handelen, een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand laten verrichten. In dat kader heeft het college appellant herhaaldelijk verzocht om nadere gegevens over te leggen over accounts van appellant bij LiteBit/2525 Ventures, Bitvavo, Binance en KuCoin, zijnde (handel)platforms voor cryptovaluta. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 21 december 2021.
Met een besluit 21 december 2021 (besluit 1) heeft het college de bijstand ingetrokken per 30 april 2020 en de kosten van bijstand van appellant teruggevorderd over de periode van 30 april 2020 tot en met 30 september 2021 tot een bedrag van € 24.599,35. Het college heeft aan dit besluit het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft zijn inlichtingverplichting geschonden door bij aanvang van de bijstand en gedurende de bijstandsperiode niet te melden dat hij cryptovaluta-accounts op naam had. Doordat hij geen inzicht heeft gegeven in de waarde van de cryptovaluta en het verloop daarvan in de periode van 30 april 2020 tot en met 30 september 2021, kan het recht op bijstand over deze periode niet worden vastgesteld.
Met een besluit van 3 januari 2022 (besluit 2) heeft het college appellant een boete opgelegd van € 327,48 op grond van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is het college uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid.
Met een besluit van 25 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het college besluit 1 en 2 na bezwaar gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dat besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de aangevallen uitspraak niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.