Home

Centrale Raad van Beroep, 11-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1376, 23/2561 WIA

Centrale Raad van Beroep, 11-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1376, 23/2561 WIA

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11 september 2025
Datum publicatie
19 september 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1376
Zaaknummer
23/2561 WIA

Inhoudsindicatie

Terugvordering te veel betaalde WIA-uitkering. De Raad is van oordeel dat het Uwv bij zijn beoordeling van de dringende reden niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en volgt het Uwv niet in zijn standpunt dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Weliswaar had appellante redelijkerwijs kunnen weten dat zij in de periode die hier in geding is te veel WIA-uitkering ontving, maar het Uwv heeft in afwijking van wat op 24 april 2020 was besproken, niet alleen de WIA-uitkering na mei 2020 nog steeds volledig uitbetaald, maar heeft ook nagelaten tijdig contact op te nemen om tot verrekening over te gaan. Het is voldoende aannemelijk geworden dat appellante vanwege haar persoonlijke omstandigheden niet in staat was om te controleren of de bedragen die zij ontving juist waren. Gelet op het verzoek van appellante dat ertoe strekte om een volledige WIA-uitkering te krijgen voor de maanden april en mei 2020, mocht zij erop vertrouwen dat het Uwv na twee maanden zou overgaan tot uitbetaling van het (lagere) bedrag waarop zij recht had.

Uitspraak

23/2561 WIA

Datum uitspraak: 11 september 2025

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 juli 2023, 21/3224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht WIA-uitkering gedeeltelijk heeft teruggevorderd van appellante, omdat bij de uitbetaling van de WIA-uitkering geen rekening was gehouden met de uitbetaling van een ZW-uitkering. Volgens appellante heeft zij redelijkerwijs niet kunnen weten dat zij te veel uitkering ontving. Daarnaast heeft het Uwv volgens appellante niet adequaat gehandeld en is bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden om van gehele of gedeeltelijk herziening af te zien onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden van appellante. Ook is ten onrechte de rol van het Uwv niet meegewogen. De Raad is van oordeel dat appellante redelijkerwijs had kunnen weten dat zij te veel uitkering ontving, maar dat gelet op de omstandigheden in deze zaak van terugvordering afgezien moet worden.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juli 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Meulenberg-ten Hoor en haar zoon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante is op 14 maart 2018 door arbeidsongeschiktheid uitgevallen vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving. Vanaf 9 april 2019 heeft appellante werkzaamheden in loondienst verricht bij [naam stichting] . Bij deze werkgever heeft zij zich met ingang van 18 november 2019 ziekgemeld, waarna [naam stichting] haar loon tijdens ziekte heeft doorbetaald.

1.2.

Het Uwv heeft appellante bij besluit van 3 maart 2020 met ingang van 11 maart 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Bij de berekening van het uitkeringsbedrag zijn de inkomsten van appellante via [naam stichting] in mindering gebracht op het WIA-maandloon. Appellante ontvangt met ingang van 11 maart 2020 een bruto WIA-uitkering van € 367,03 per maand.

1.3.

Het dienstverband van appellante bij [naam stichting] is met ingang van 9 april 2020 beëindigd. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 23 april 2020 per 9 april 2020 een voorschot op de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend van € 30,33 bruto per dag. Het Uwv heeft daarbij te kennen gegeven dat haar (ex-)werkgever de ZW-uitkering betaalt omdat de (ex-)werkgever eigenrisicodrager is voor de ZW, maar dat de besluiten over de uitkering door het Uwv worden genomen.

1.4.

In een interne memo van het Uwv van 24 april 2020 staat dat de maatschappelijk werkster van appellante het Uwv heeft verzocht om de WIA-uitkering vanaf 9 april 2020 volledig (ongekort) uit te betalen en geen rekening te houden met de ZW-uitkering, omdat [naam stichting] pas vanaf eind mei 2020 de ZW-uitkering kan uitbetalen. Dit om te voorkomen dat appellante de eerste twee maanden te weinig inkomsten zou hebben. In de memo staat ook dat [X], vertegenwoordiger van [naam stichting] , heeft bevestigd pas eind mei 2020 met terugwerkende kracht de ZW-uitkering te kunnen betalen en dat [X] het verzoek van het Uwv om verrekening tegemoet ziet.

1.5.

Bij besluit van 30 april 2020 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat er een nabetaling plaatsvindt van de WIA-uitkering van € 766,- over de periode van 9 april 2020 tot en met 30 april 2020 omdat haar uitkering is gewijzigd vanaf 9 april 2020.

1.6.

Het Uwv heeft bij besluit van 17 maart 2021 vastgesteld dat appellante over de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2020 een bedrag van € 4.107,20 bruto te veel WIAuitkering heeft ontvangen. Appellante moet dit bedrag aan het Uwv terug betalen. Zij heeft in de genoemde periode € 551,80 tot € 708,18 bruto per maand te veel aan WIAuitkering ontvangen.

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 maart 2021 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in dit besluit toegelicht dat aan appellante te veel WIA-uitkering over de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2020 is uitbetaald, omdat geen rekening is gehouden met de ZW-uitkering die zij gelijktijdig via [naam stichting] ontving. Volgens het Uwv was het appellante redelijkerwijs duidelijk dat zij te veel uitkering ontving. In het toekenningsbesluit van 3 maart 2020 is vermeld dat een bedrag op haar WIA-uitkering in mindering is gebracht in verband met haar dienstverband bij [naam stichting] . Dat bedrag betrof de loondoorbetaling van deze werkgever. Vanaf 9 april 2020 eindigde het dienstverband en had zij recht op een ZW-uitkering via haar werkgever. Omdat de loondoorbetaling in mindering was gebracht op haar uitkering, had appellante kunnen weten dat zij ook geen recht had op een volledige WIAuitkering naast haar ZW-uitkering. De WIA-uitkering was op verzoek van (de begeleidster van) appellante volledig uitbetaald. De bedoeling was om de te veel betaalde uitkering uiteindelijk met de werkgever te verrekenen, maar de werkgever heeft aangegeven dat appellante in de tussentijd de ZW-uitkering via hem heeft ontvangen. In reactie op wat appellante in bezwaar naar voren heeft gebracht over het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, heeft het Uwv naar voren gebracht dat geen sprake is van een identieke situatie of willekeur. De personen in het nieuwsbericht die te veel ontvangen uitkering niet hoeven terug te betalen, ontvingen een WW-uitkering en een ZW-uitkering of WAZO-uitkering naast elkaar, terwijl appellante een WIA-uitkering en een ZW-uitkering naast elkaar ontving. Daarnaast is er volgens het Uwv geen sprake van een zeer ernstige of uitzonderlijke situatie op grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien. Het aflossingsbedrag is vastgesteld op € 81,- per maand.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar in de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2020 ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan WIA-uitkering werd verstrekt. Uit de memo van 24 april 2020 volgt dat de afspraak was dat het Uwv op verzoek van appellante de volledige WIA-uitkering twee maanden zou uitbetalen. Daarnaast volgt uit de toelichting van het toekenningsbesluit van de WIA-uitkering dat het bedrag dat appellante uit de ZW-uitkering/loondoorbetaling ontving, werd verrekend met de WIA-uitkering. In de maanden april 2020 tot en met september 2020 ontving appellante een significant hogere WIA-uitkering dan het bedrag dat in het toekenningsbesluit werd genoemd. Het lag op de weg van appellante om bij eventuele onduidelijkheid over de betaling navraag te doen bij het Uwv, ook gelet op de omvang van de betalingen met name na de eerste twee maanden vanaf juni 2020. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante werd ondersteund door haar begeleidster en dat [X] namens de werkgever hierbij was betrokken. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante een eigen verantwoordelijkheid heeft en de keuze om geen navraag te doen bij het Uwv voor haar eigen rekening en risico komt.

Het standpunt van appellante

3.1.

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Samengevat stelt appellante dat zij in de periode van 9 april 2020 tot 30 september 2020 niet kon weten dat zij een te hoog bedrag aan uitkering ontving. De samenloop van de verschillende uitkeringen is complex. Dat zij geen navraag heeft gedaan was geen keuze. Uit de interne memo van het Uwv van 24 april 2020 volgt dat het Uwv een verrekening met [X] zal regelen. Na het besluit van 30 april 2020, waarin is medegedeeld dat er een nabetaling plaatsvindt omdat haar uitkering is gewijzigd, heeft zij geen herziening of wijziging ontvangen. Het Uwv heeft haar vervolgens pas op 17 maart 2021 geconfronteerd met de terugvordering. Zij is ernstig ziek en heeft door de vele brieven van het Uwv geen enkel zicht meer op haar financiële situatie. Van appellante kan niet worden verwacht dat zij ingewikkelde berekeningen gaat narekenen. Appellante heeft gewezen op de zware stelplicht en bewijslast bij belastende besluiten. Onder verwijzing naar de (tussen)uitspraak van de Raad van 18 april 20241 heeft appellante aangevoerd dat het Uwv en de rechtbank de relevante feiten en omstandigheden, de sociale, medische en financiële situatie van appellante in het kader van de dringende reden hadden moeten meewegen. Daarbij is van belang dat mede als gevolg van nalatigheid van het Uwv te veel uitkering is verstrekt. Het Uwv en de rechtbank hebben het aandeel van het Uwv in de ontstane herziening en terugvordering niet in de belangenafweging betrokken en niet afgezet tegen de mate waarin appellante een verwijt kan worden gemaakt.

Het standpunt van het Uwv

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. In reactie op de verwijzing van appellante naar de tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft het Uwv naar voren gebracht dat wat in deze uitspraak is overwogen geen gevolgen heeft voor het door het Uwv ingenomen standpunt. Appellante heeft in de periode hier in geding twee uitkeringen ontvangen, waarbij de WIA-uitkering op een te hoog bedrag is uitbetaald. Zij had volgens het Uwv hiermee rekening kunnen houden. De oorzaak van de terugvordering is volgens het Uwv niet gelegen in een fout van het Uwv. De terugvordering is ontstaan door een combinatie van het verzoek van appellante om de volledig WIA-uitkering uit te betalen, de miscommunicatie met [X] en het niet verrekenen van de ZW-uitkering met het te veel betaalde bedrag aan WIA-uitkering. Het Uwv was afhankelijk van de medewerking van [X], terwijl [X] volgens het Uwv niet de urgentie heeft gevoeld om met het Uwv samen te werken. [X] had het bedrag aan ZW-uitkering niet gereserveerd voor de verrekening en heeft het Uwv niet in kennis gesteld van het feit dat de ZW-uitkering tot uitbetaling is gekomen. Er is ook geen sprake geweest van een nodeloos lange periode en bij de invordering kan rekening worden gehouden met de financiële situatie van appellante.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet WIA

Algemene wet bestuursrecht