Home

Centrale Raad van Beroep, 17-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1373, 24/896 WIA

Centrale Raad van Beroep, 17-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1373, 24/896 WIA

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17 september 2025
Datum publicatie
19 september 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1373
Zaaknummer
24/896 WIA

Inhoudsindicatie

Ten onrechte loonsanctie opgelegd. De Raad onderschrijft het standpunt van appellante dat de tekortkomingen die in bezwaar door het Uwv zijn vastgesteld, niet als grondslag kunnen dienen voor het bestreden besluit. Onjuiste beoordeling van de belastbaarheid door de bedrijfsarts. Onjuist opgesteld zoekprofiel in het trajectplan. Waardoor kansen in het eerste en tweede spoor mogelijk waren gemist. Dat er door appellante en betrokkene – daarnaast – niet volledig uitvoering zou zijn gegeven aan de afspraken in het trajectplan, doordat er op onvoldoende (en niet-passende) functies zou zijn gesolliciteerd en doordat voortgangrapportages over de periode van mei tot en met september 2022 ontbreken, is door het Uwv bij de primaire oplegging van de loonsanctie niet als tekortkoming benoemd. Voor appellante, die de in bezwaar gestelde tekortkomingen overigens heeft bestreden, was daardoor onduidelijk wat de haar verweten tekortkomingen waren en op welke wijze zij deze moest herstellen alvorens een verzoek tot bekorting van de loonsanctie te kunnen indienen. Schadevergoeding. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

24/896 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2024, 23/4974 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 september 2025

[betrokkene] (betrokkene)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellante een loonsanctie heeft opgelegd. Volgens appellante is dat niet het geval. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat het Uwv aan appellante ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd. Het Uwv is veroordeeld tot vergoeding van schade.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van der Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Verder is een verzoek om schadevergoeding ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft als derde-belanghebbende aan het geding deelgenomen.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 juni 2025. Voor appellante is verschenen [naam directeur] , directeur, en [naam mede gemachtigde] als mede-gemachtigde, bijgestaan door mr. C.S. Kehrer-Bot, kantoorgenoot van mr. Van der Stap. Tevens is betrokkene verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Betrokkene was als verkoopmedewerkster voor 32 uur per week werkzaam bij appellante. Op 3 december 2020 heeft zij zich ziekgemeld. Betrokkene heeft op 13 september 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Een verzekeringsarts heeft op 21 november 2022 een medische beoordeling gedaan. Een arbeidsdeskundige heeft, nadat aan appellante aanvullende vragen waren gesteld over de ondernomen re-integratie-activiteiten, op 22 november 2022 het re-integratieverslag beoordeeld. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de re-integratie-inspanningen van appellante in het eerste en tweede spoor onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Bij besluit van 25 november 2022 heeft het Uwv appellante een loonsanctie opgelegd voor de duur van 52 weken tot 30 november 2023.

1.2.

In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en een rapport opgesteld.

1.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de sociaal-medische begeleiding door de bedrijfsarts – anders dan de primaire verzekeringsarts – adequaat geacht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat appellante in het eerste spoor voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In het tweede spoor is echter sprake van tekortkomingen. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt en het bezwaar in het besluit van 15 juni 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat sprake is van een besluit met een voor appellante belastend karakter. Daarom is het aan het Uwv om aannemelijk te maken dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De re-integratie-inspanningen hebben hier niet tot een bevredigend resultaat geleid omdat geen sprake was van structurele werkhervatting door betrokkene die aansloot bij haar resterende functionele mogelijkheden. In dat geval moet het Uwv beoordelen wat door betrokkene en appellante daadwerkelijk aan reintegratieinspanningen is ondernomen. Het Uwv heeft hierbij gebruikgemaakt van de Werkwijzer poortwachter (Werkwijzer). De Werkwijzer heeft niet de status van een beleidsregel, maar is een interne werkinstructie.

2.2.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv er terecht van is uitgegaan dat de bedrijfsarts geen urenbeperking aan de orde heeft geacht. Daartoe heeft de rechtbank verwezen naar de Benutbare Mogelijkhedenlijst van 16 december 2021, waarin geen urenbeperking is opgenomen in de rubriek ‘werktijden’. Verder heeft de bedrijfsarts dit ook in zijn terugkoppeling van 19 oktober 2022 te kennen gegeven. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat, uitgaande van het persoons- en zoekprofiel van betrokkene, zij niet voldoende en niet naar de juiste functies gesolliciteerd heeft. Betrokkene had haar sollicitaties in een eerder stadium moeten toespitsen op het daadwerkelijk zoekprofiel, of in een eerder stadium op dat vlak aangestuurd moeten worden. Niet controleerbaar is welke activiteiten er in de periode tussen april 2022 en september 2022 precies zijn verricht binnen spoor twee en of er ook maandelijks sollicitaties zijn verricht. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de ter zitting betrokken stelling van appellante over begeleiding en aansturing van betrokkene niet uit de dossierstukken blijkt. Betrokkene is blijven solliciteren naar functies die vergelijkbaar zijn met haar eigen functie waarvoor zij was uitgevallen. Uit het dossier blijkt niet dat de route naar werk via een opleiding is onderzocht. Verder is betrokkene geen opleiding aangeboden om haar mogelijkheden op het vinden van passend werk te vergroten. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het Uwv appellante terecht een loonsanctie heeft opgelegd.

De standpunten van partijen

3.1.

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Daartoe heeft appellante de volgende gronden aangevoerd.

3.1.1.

De loonsanctie is een belastend besluit dat duidelijk en helder gemotiveerd moet zijn zodat een werkgever in de gelegenheid is om het gebrek te herstellen. Verder mogen op grond van de rechtspraak1 van de Raad aanvullingen of wijzigingen door het Uwv van de grondslag waarop de loonsanctie is gebaseerd niet meer plaatsvinden, omdat dat in strijd is met het reparatoire karakter van een loonsanctie. Aangezien de motivering voor de loonsanctie in bezwaar is gewijzigd en appellante pas met het bestreden besluit van de haar verweten tekortkomingen op de hoogte werd gesteld, voert appellante aan dat er voor haar onvoldoende gelegenheid was om het verzuim te herstellen. Een verzoek om bekorting van de loonsanctie zou illusoir zijn. Appellante wijst verder op een inhoudelijke tegenstelling in de rapporten in bezwaar.

3.1.2.

Appellante heeft gewezen op uitspraken van de Raad2 waarin is geoordeeld dat wel voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Appellante acht onvoldoende duidelijk waarop het standpunt is gebaseerd dat betrokkene ook had moeten solliciteren op functies met een arbeidsomvang van 32 uur per week, terwijl betrokkene alleen beperkt geschikt was voor het aangepaste eigen werk en zij beperkingen heeft voor zittend en staand werk. Bij de beoordeling van de inspanningen in het tweede spoor moeten alle ontplooide activiteiten worden meegenomen. Uit de voortgangsrapportages, het sollicitatie-overzicht en het activiteitenoverzicht blijkt dat veel activiteiten zijn ontplooid. Het Uwv heeft in dit geval alleen op basis van gesteld onvoldoende solliciteren de conclusie getrokken dat er onvoldoende inspanningen zijn verricht.

3.1.3.

De omstandigheid dat er gedurende de periode van april 2022 tot november 2022 geen voortgangsrapportages zijn opgesteld, is – gelet op de feitelijk ontplooide reintegratieactiviteiten – onvoldoende om te komen tot de conclusie dat er onvoldoende reintegratie-inspanningen zijn verricht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

3.3.

Betrokkene heeft ter zitting haar medische situatie toegelicht. Zij is jong en heeft een zwaar beschadigde rug. Betrokkene benadrukt dat zij desondanks de wil heeft om te werken.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage