Home

Centrale Raad van Beroep, 03-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1333, 24/657 WAJONG

Centrale Raad van Beroep, 03-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1333, 24/657 WAJONG

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
3 september 2025
Datum publicatie
12 september 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1333
Zaaknummer
24/657 WAJONG

Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Laattijdige aanvraag. Appellant beschikte op zijn achttiende verjaardag en tijdens zijn studie over arbeidsvermogen. Geen toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekte oorzaak binnen vijf jaar na de achttiende verjaardag of na beëindiging studie in 2010. Motiveringsgebrek. De intrekking van het besluit van 9 november is niet in strijd met een rechtsbeginsel.

Uitspraak

24/657 WAJONG, 24/658 WAJONG

Datum uitspraak: 3 september 2025

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 maart 2024, 23/124 en 23/2580 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv de Wajong-uitkering terecht heeft geweigerd. Het beroep van appellant op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nadere reactie ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 maart 2025. Voor appellant is zijn vader [naam vader] verschenen, bijgestaan door mr. P. Agerbeek en mr. Rhodes, advocaten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

Na de zitting is het onderzoek heropend. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 11 juni 2025. Voor appellant is zijn vader [naam vader] verschenen, bijgestaan door mr. Rhodes en mr. J.J.B. Hoenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Puister.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.

Appellant is geboren op [geboortedatum] 1990. Op [geboortedatum] 2008 is hij achttien jaar geworden. Op 2 juli 2010 heeft appellant een mbo-2 opleiding afgerond. Appellant heeft op 30 november 2021 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellant het zogeheten MELAS syndroom heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd uit 2021 van het Daan Theeuwes Centrum (neurorevalidatie) en een logopedist, en besluiten uit 2021 van het CIZ en het Zorgkantoor. Daaruit blijkt (kort gezegd) dat vanaf februari 2021 sprake is van een forse toename van klachten en beperkingen in verband met het MELAS syndroom, met name in denken en gedrag. Ook is sprake van slechthorendheid, ADD en dyslexie.

1.2.

Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht en daaruit geconcludeerd dat appellant op zijn achttiende verjaardag en tijdens studie arbeidsvermogen had. Met een besluit van 25 juli 2022 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 juli 2022. Daarbij heeft hij onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen onderzoek is verricht door een arbeidsdeskundige. Het Uwv heeft daarop alsnog een arbeidskundig onderzoek verricht. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 18 oktober 2022 geconcludeerd dat appellant geen arbeidsvermogen heeft omdat hij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Bij besluit van 9 november 2022 heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en appellant met ingang van 30 november 2021 een Wajong-uitkering toegekend.

1.4.

Het Uwv heeft de vader van appellant op 18 november 2022 gebeld en uitgelegd dat vanwege een nader onderzoek geen uitvoering wordt gegeven aan het besluit van 9 november 2022. In een rapport van 23 november 2022 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellant van zijn achttiende tot zijn drieëntwintigste verjaardag wel beschikte over arbeidsvermogen, omdat hij in die periode basale werknemersvaardigheden had en een taak kon uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Op 24 november 2022 heeft het Uwv de vader van appellant telefonisch geïnformeerd over het nader rapport en het gewijzigde standpunt. Het Uwv heeft bij brief van 25 november 2022 het besluit van 9 november 2022 ingetrokken en medegedeeld dat de bezwaarprocedure tegen het besluit van 25 juli 2022 wordt voortgezet.

1.5.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 25 november 2022. Bij besluit van 21 december 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 25 november 2022 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.6.

Bij besluit van 22 maart 2023 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 25 juli 2022 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juli 2022 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 25 november 2022 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar open stond. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen de brief van 25 november 2022 dus ten onrechte nietontvankelijk verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat het Uwv het besluit van 9 november 2022 kon intrekken. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat een bestuursorgaan terugkomt van een eerder genomen besluit als blijkt dat dit besluit op een onjuiste feitelijke en juridische grondslag berust. Over de te beoordelen periode heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellant op zijn achttiende verjaardag ( [geboortedatum] 2008) beperkingen als gevolg van ziekte ondervond en niet pas vanaf 2010, toen appellant studeerde. Uit vaste rechtspraak volgt dat er geen sprake kan zijn van twee momenten van het ontstaan van arbeidsongeschiktheid, te weten voor de achttiende verjaardag en tijdens studie. De vijfjaarstermijn1 begint in het geval van appellant te lopen vanaf de achttiende verjaardag.

2.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 6 maart 2023 op een inzichtelijke en navolgbare wijze gemotiveerd waarom appellant in de periode van [geboortedatum] 2008 tot en met [geboortedatum] 2013 mogelijkheden had tot arbeidsparticipatie. Appellant was in staat om vier uur per dag arbeid te verrichten en een uur aaneengesloten te werken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat appellant op medische gronden werknemersvaardigheden had. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op een inzichtelijke en navolgbare wijze gemotiveerd dat appellant ook op arbeidskundig gebied in de periode in geding arbeidsvermogen had. De door de primaire arbeidsdeskundige geduide taak is ongewijzigd gehandhaafd. De rechtbank heeft de conclusie van het Uwv gevolgd dat appellant in het Wajong verzekerde tijdvak van [geboortedatum] 2008 tot en met [geboortedatum] 2013 arbeidsvermogen had. De Wajonguitkering is op goede gronden geweigerd.

Het standpunt van appellant

3.1.

Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarin het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard, en heeft daartegen het volgende aangevoerd.

3.1.1.

Appellant stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de Wajong verzekerde periode in zijn geval liep van [geboortedatum] 2008 tot en met [geboortedatum] 2013. Appellant stelt dat zijn beperkingen ten gevolge van MELAS zijn ontstaan tijdens zijn studieperiode. Die periode van studie eindigde in juli 2010. Daarom had het Uwv de periode van 2010 tot en met 2015 moeten onderzoeken.

3.1.2.

De rechtbank heeft volgens appellant ook ten onrechte geoordeeld dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat een bestuursorgaan terugkomt van een eerder genomen besluit. Volgens vaste rechtspraak mag het herstellen van een gemaakte fout niet in strijd komen met enige rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Daartoe zal buiten redelijke twijfel moeten staan dat het oorspronkelijke besluit onjuist was. Dat is hier niet het geval geweest. Het besluit van 9 november 2022 is genomen na arbeidskundig onderzoek waarin is geconcludeerd dat appellant geen arbeidsvermogen heeft. Hierna heeft dezelfde arbeidsdeskundige op basis van dezelfde informatie geconcludeerd dat appellant wel arbeidsvermogen heeft. De conclusies staan haaks op elkaar. Het Uwv heeft daarbij nagelaten te motiveren waarom een (al bekende) uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen van appellant en zijn sporadische werkzaamheden als diskjockey (dj) de zaak zo hebben doen veranderen dat hij opeens wel beschikt over arbeidsvermogen. Het dj-werk was zeer beperkt in aard en omvang en het Uwv heeft nagelaten dit verder te onderzoeken. Het staat dus niet buiten redelijke twijfel dat het besluit van 9 november 2022 onjuist is geweest en de intrekking daarvan komt met name in strijd met het vertrouwensbeginsel.

3.1.3.

Appellant is ongeneeslijk en ernstig ziek en heeft een korte levensverwachting. Omdat het proces bovendien erg rommelig is gegaan, bestaat er een dringende reden om af te zien van intrekking, dan wel van herziening, als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, van de Wajong gelezen in samenhang met artikel 1a:12, eerste lid, onder j, van de Wajong. Voor zover de uitkering niet had mogen worden toegekend dan had het Uwv de uitkering moeten herzien tegen een latere datum, zoals in artikel 4 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 is genoemd.

3.1.4.

Omdat met het besluit van 9 november 2022 al was beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juli 2022, had het Uwv de besluiten van 25 november 2022 en 22 maart 2023 niet mogen nemen.

Het standpunt van het Uwv

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING