Centrale Raad van Beroep, 28-08-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1302, 21/1750 WIA
Centrale Raad van Beroep, 28-08-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1302, 21/1750 WIA
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2025
- Datum publicatie
- 5 september 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1302
- Zaaknummer
- 21/1750 WIA
Inhoudsindicatie
Toekenning WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op 52,63%. De Raad volgt het standpunt van de door haar ingeschakelde deskundige. Appellant heeft niet willen meewerken aan een aanvullend onderzoek door een onafhankelijke verzekeringsarts. De consequenties hiervan komen voor zijn rekening en risico. De Raad concludeert dat het Uwv de medische situatie van appellant op de datum in geding, zoals neergelegd in de FML van 13 maart 2020, juist heeft vastgesteld. Uitgaande van de juistheid van beperkingen in de FML van 13 maart 2020, is de vraag aan de orde of appellant staat is de geselecteerde functies te verrichten. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn. Proceskostenveroordeling.
Uitspraak
21/1750 WIA
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2021, 20/2844 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 9 april 2019 heeft vastgesteld op 52,63%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld. De door de Raad benoemde internist heeft geen aanleiding gezien voor meer beperkingen. Vervolgens heeft appellant niet willen meewerken aan een aanvullend onderzoek door een onafhankelijke verzekeringsarts. De consequenties hiervan komen voor zijn rekening en risico.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. Abalhaj hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Abalhaj. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
Het onderzoek is ter zitting geschorst en de Raad heeft prof. dr. J.B.L. Hoekstra, internist, als deskundige benoemd. Op 16 januari 2023 heeft de Raad het rapport van Hoekstra ontvangen. Partijen hebben hun zienswijzen op dit rapport ingediend. Het Uwv heeft gereageerd op de zienswijze van appellant.
Op 31 mei 2023 heeft Hoekstra een aanvullend rapport uitgebracht. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft vervolgens aanleiding gezien om een verzekeringsarts als deskundige te benoemen. Appellant heeft hieraan niet willen meewerken.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van
belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als wetenschappelijk onderzoeker bij het [naam instituut] voor 38 uur per week. Zijn dienstverband is in 2003 geëindigd. Op 18 oktober 2006 heeft hij zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziekgemeld, voornamelijk met klachten als gevolg van sarcoïdose. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 15 oktober 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 52,97%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant een WGA-vervolguitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.
In verband met een melding toegenomen klachten, ontvangen door het Uwv op 9 april 2019, heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juli 2019, waaronder vele beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, lichte fysieke beperkingen en een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 52,63%. Bij besluit van 29 juli 2019 heeft het Uwv bepaald dat de WIA-uitkering van appellant niet wijzigt.
Bij besluit van 8 april 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen een rapport van 13 maart 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die aanvullende beperkingen heeft aangenomen, een gewijzigde FML van 13 maart 2020 en een rapport van 3 april 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag, op grond waarvan is geconcludeerd dat de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% niet wijzigt.
Uitspraak van de rechtbank
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch oordeel voldoende zorgvuldig is geweest. Alle medische gegevens zijn op een deugdelijk en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellant niet onderschat en dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in bezwaar beperkingen toegevoegd op de beoordelingspunten stof/rook/gas/damp, tastzin en boven schouderhoogte actief zijn. In verband met de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een beperking toegevoegd voor patiëntencontact en heeft hij de toelichting bij de beperking voor werken met deadlines gewijzigd.
Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een rapport van 17 februari 2021 van de door hem ingeschakelde verzekeringsarts/medisch adviseur S. Lok ingediend. Lok wijkt op enkele items van de FML af van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en heeft een eigen FML opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 maart 2021 geen aanleiding gezien om op medische gronden zijn conclusies te veranderen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzicht gegeven in zijn bevindingen en deze voldoende en inzichtelijk gemotiveerd. De beperkingen van appellant zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onderschat en de medische grondslag van het bestreden besluit is deugdelijk. De door appellant ingebrachte medische informatie geeft geen reden voor twijfel aan de medische bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft mogen uitgaan van de juistheid van de FML van 13 maart 2020. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom de functies voor appellant geschikt zijn. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onjuist zijn. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om aan het oordeel van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te twijfelen.
Standpunten van partijen
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij meer arbeidsongeschikt is dan door het Uwv is aangenomen. Er is geen rekening gehouden met de aanwezigheid van een zenuwbeknelling in zijn rechtervoet. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen rekening gehouden met de diagnoses PTSS en gegeneraliseerde angststoornis. Deze diagnoses staan vermeld in het onderzoeksverslag van de Praktijk van Psychotherapie Amsterdam van 24 januari 2018. Daarnaast is er onvoldoende rekening gehouden met de vermoeidheid die appellant ervaart door de sarcoïdose, de ASS, PTSS, de dysthyme stoornis en de slaapproblemen. Verder claimt appellant dat hij niet blootgesteld kan worden aan een geluidsniveau hoger dan 50 dB. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende beperkingen aangenomen voor de pols-, arm- en schouderklachten (neurosarcoïdose) en zijn chronische rugklachten. Appellant wijst op het rapport van de door hem ingeschakelde verzekeringsarts Lok, waaruit blijkt dat er aanleiding is om extra beperkingen aan te nemen voor zijn klachten. Appellant heeft in hoger beroep diverse aanvullende medische stukken ingebracht. Daarnaast is appellant van mening dat de geselecteerde functies voor hem ongeschikt zijn vanwege overschrijdingen op de items voorspelbare werksituatie, samenwerken, contact met klanten (vanwege besmettingsgevaar), stof, gassen en dampen en geluid.
Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank in strijd met het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 heeft gehandeld. Vlak voor de zitting bij de rechtbank op 8 maart 2021 heeft het Uwv aan de gemachtigde van appellant een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 maart 2021 gezonden. Appellant en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting van dit rapport geen kennis kunnen nemen en op de zitting hierop niet inhoudelijk kunnen reageren. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en appellant niet meer in de gelegenheid gesteld om op dit rapport te reageren. De rechtbank heeft hiermee in strijd met de goede procesorde gehandeld.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. In reactie op de door appellant aangevoerde argumenten heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juli 2022 en 31 augustus 2022 ingebracht.
Benoemen deskundige(n)
In wat appellant heeft aangevoerd, de aanwezige medische gegevens en het rapport van verzekeringsarts Lok heeft de Raad aanleiding gezien om internist prof. dr. Hoekstra te benoemen als deskundige, met name omtrent de gestelde vermoeidheid bij appellant als gevolg van de sarcoïdose. Hoekstra heeft appellant gezien en lichamelijk onderzocht op een spreekuur, kennis genomen van de medische stukken in het dossier en medische informatie opgevraagd bij en ontvangen van longarts E.J. Nossent en van huisarts [huisarts] , inclusief specialistenbrieven van een endocrinoloog. Hoekstra heeft geconcludeerd dat op 9 april 2019 sprake was van een weinig actieve, met andere woorden stabiele vorm van sarcoïdose met betrokkenheid met name van de long, met als complicatie long fibrose. De fibrose heeft zonder twijfel geleid tot een verminderde inspanningstolerantie. De aandoening is goed behandelbaar met medicatie. Hoekstra is van mening dat er niet meer beperkingen zijn dan vastgesteld in de FML van 13 maart 2020. De sarcoïdose kan slechts ten dele een verklaring vormen voor de vermoeidheid van appellant en ook andere fysieke aandoeningen/beperkingen lijken niet de moeheid te kunnen verklaren. Er zijn op grond van het medisch onderzoek en de medische informatie van de longarts en endocrinoloog geen andere aannemelijke fysieke verklaringen aan het licht gekomen. Volgens Hoekstra was appellant, conform de FML van 13 maart 2020, in staat om gemiddeld vier uur per dag en twintig uur per week te werken. Hoekstra heeft desgevraagd laten weten dat hij een nader onderzoek door een andere deskundige niet gewenst acht.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 februari 2023 laten weten zich te kunnen vinden in de bevindingen van Hoekstra en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om op medische gronden een ander standpunt in de nemen.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat Hoekstra niet deskundig is op het gebied van sarcoïdose en heeft de Raad verzocht het rapport van Hoekstra niet bij de beoordeling te betrekken. Volgens appellant leek Hoekstra bevooroordeeld en is hij onvoldoende op de hoogte van de factoren die bij zijn chronische vermoeidheid een rol spelen en sarcoïdose-gerelateerd zijn, onder andere de longfibrose, insomnie/niet-verkwikkende slaap, CVS/ME, neurosarcoïdose, ontstekingsactiviteit, inspanningsintolerantie, dysthymie, ASS en PTSS. Volgens appellant dient alsnog een onafhankelijke arts te worden benoemd die gespecialiseerd is in sarcoïdose.
Hoekstra heeft op de brief van appellant gereageerd. Hoekstra heeft opgemerkt dat hij vele jaren heeft gewerkt als algemeen internist en zich als hoogleraar Algemene Inwendige Geneeskundig uitvoerig heeft beziggehouden met het probleem moeheid. Verder heeft hij opgemerkt dat hij zich niet herkent in de kritiek van appellant over het onderzoek en het rapport. Hij was geenszins bevooroordeeld evenmin was sprake van belangenverstrengeling. Ook herkent Hoekstra zich niet in de kritiek van appellant dat hij hem niet serieus zou hebben genomen of hebben geloofd of dat hij het dossier niet uitvoerig zou hebben bestudeerd.
Het Uwv heeft met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 mei 2023 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 april 2023 gereageerd op de reactie van appellant. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien voor een ander standpunt.
Na het rapport van Hoekstra, die door de Raad met name was ingeschakeld om te adviseren omtrent de vermoeidheid van appellant vanwege de sarcoïdose, is gelet op het rapport van verzekeringsarts Lok over de vertaling van de fysieke en psychische aandoeningen naar beperkingen en over de ernst van de aandoeningen, heeft de Raad aanleiding gezien om een verzekeringsarts als deskundige te benoemen voor een aanvullend onderzoek. Appellant heeft hierop te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in de benoeming van een verzekeringsarts als deskundige. Verzekeringsartsen hebben volgens appellant een beperkte kennis van sarcoïdose en zijn volgens hem zelden onafhankelijk. Appellant heeft de Raad verzocht om alsnog een sarcoïdose-expert als deskundige in te schakelen.
De Raad heeft appellant erop gewezen dat hij op grond van artikel 8:30 van de Awb verplicht is mee te werken aan dit onderzoek en dat de Raad, als appellant weigert mee te werken, op grond van artikel 8:31 van de Awb, de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen.
Appellant is bij zijn weigering om mee te werken gebleven en heeft hij de Raad verzocht uitspraak te doen.