Home

Centrale Raad van Beroep, 30-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1276, 23/3466 JW

Centrale Raad van Beroep, 30-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1276, 23/3466 JW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30 september 2025
Datum publicatie
30 september 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1276
Zaaknummer
23/3466 JW

Inhoudsindicatie

Deze zaak gaat over de vraag of het college de ingangsdatum voor de verstrekte voorziening voor jeugdhulp in de vorm van een pgb voor jeugdhulp door een van de ouders had moeten bepalen op een eerdere datum. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Verder gaat het over de vraag of het college het uurtarief voor dit pgb mocht bepalen op een lager bedrag dan de hoogste periodiek van de cao-zorg VVT-loontabel FWG30. De Raad is van oordeel dat dit het geval is en geeft het college hierin gelijk. Omdat de redelijke termijn is overschreden, moet de Staat hiervoor een schadevergoeding betalen aan betrokkene.

Uitspraak

23/3466 JW, 24/137 JW, 24/146 JW, 25/429 JW

Datum uitspraak: 30 september 2025

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 november 2023, 22/213 en 22/2434 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het college de ingangsdatum voor de verstrekte voorziening voor jeugdhulp in de vorm van een pgb voor jeugdhulp door een van de ouders had moeten bepalen op een eerdere datum. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Verder gaat het over de vraag of het college het uurtarief voor dit pgb mocht bepalen op een lager bedrag dan de hoogste periodiek van de cao-zorg VVT-loontabel FWG30. De Raad is van oordeel dat dit het geval is en geeft het college hierin gelijk. Omdat de redelijke termijn is overschreden, moet de Staat hiervoor een schadevergoeding betalen aan betrokkene.

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Namens betrokkene heeft mr. R.C.A. van Niftrik, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de beslissing op bezwaar van 13 december 2023 (nader besluit) genomen.

Namens betrokkene heeft mr. Van Niftrik hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 27 februari 2025. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I.K. Selen en mr. N. Scholte. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Niftrik en vergezeld door zijn moeder [naam moeder] .

Namens betrokkene heeft mr. Van Niftrik verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Betrokkene, geboren in 2006, is onder meer bekend met een Autisme Spectrum Stoornis. Op 7 september 2020 heeft namens betrokkene zijn moeder een aanvraag voor een voorziening voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (Jw) gedaan. Het college heeft na onderzoek aan betrokkene met een besluit van 19 november 2020 met ingang van 12 oktober 2020 tot en met 11 oktober 2021 een voorziening voor jeugdhulp, bestaande uit Jeugd-ggz (specialistisch), toegekend in de vorm van jeugdhulp in natura. Deze hulp wordt geleverd door Stichting Met GGZ. Vervolgens is met een besluit van 18 maart 2021 een voorziening voor jeugdhulp, bestaande uit jeugdhulp ambulant, toegekend over de periode van 15 maart 2021 tot en met 14 maart 2022. De hulp is verstrekt in de vorm van jeugdhulp in natura en wordt geleverd door Stichting Rubicon Jeugdzorg. Tegen deze besluiten heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Namens betrokkene heeft zijn moeder op 26 maart 2021 een aanvraag gedaan voor een voorziening voor jeugdhulp, bestaande uit begeleiding individueel in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Met het pgb wil betrokkene zijn moeder betalen voor de hulp die zij aan hem verleent. Het college heeft met een besluit van 23 juni 2021 deze aanvraag afgewezen. Het college heeft aan betrokkene met een besluit van 8 juli 2021 wel een voorziening voor jeugdhulp, bestaande uit jeugdhulp ambulant, toegekend over de periode 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022 in de vorm van jeugdhulp in natura. De begeleiding wordt geleverd vanuit Autismebegeleiding.nl.

1.3.

Met een besluit van 9 december 2021 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 23 juni 2021 gegrond verklaard en over de periode van 21 mei 2021 tot zes maanden na bestreden besluit 1 een voorziening voor jeugdhulp, bestaande uit individuele begeleiding, toegekend voor 21 uur per week. De voorziening wordt in de vorm van een pgb verstrekt naar het tarief voor het sociaal netwerk van € 20,- per uur. Betrokkene heeft beroep ingesteld vanwege de ingangsdatum van deze voorziening.

1.4.

Met een besluit van 20 juni 2022 heeft het college aan betrokkene met ingang van 10 juni 2022 tot en met 30 juni 2023 een voorziening voor jeugdhulp, bestaande uit ambulante hulp perspectief 1 licht, toegekend in de vorm van een pgb tegen een tarief van € 20,- per uur. Dit betreft over de periode 10 juni 2022 tot en met 31 december 2022 in totaal 630 uur en over de periode 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023 in totaal 546 uur. Met een besluit van 7 september 2022 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat de hoogte van het uurtarief van de tweede voorziening in de vorm van een pgb te laag is.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten, omdat het college op goede gronden de ingangsdatum van de eerste voorziening voor jeugdhulp in de vorm van een pgb op 21 mei 2021 heeft gesteld. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover daarin is beslist dat het uurtarief voor het pgb voor sociaal netwerk op € 20,- is gesteld. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het college het uurtarief hoger had moeten vaststellen. De uitspraken van de Raad van 16 augustus 2023,1 die zien op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), zijn van overeenkomstige toepassing op de hoogte van het pgb-uurtarief in deze zaak. Voor begeleiding individueel moeten de pgb-tarieven voor het sociaal netwerk gebaseerd worden op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de salarisschaal FWG30 van de voor de desbetreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Het uurtarief van het door het college toegekende pgb komt hiermee niet overeen. Het college moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen.

Nader besluit

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college het nadere besluit genomen. Hierbij is het pgb-tarief van € 20,- per uur over de periode 10 juni 2022 tot 1 maart 2023 herzien naar € 21,46 per uur en over de periode 1 maart 2023 tot en met 30 juni 2023 naar € 22,11 per uur. Dit is conform de cao-zorg VVT-loontabel FWG30 hoogste periodiek vermeerderd met vakantiedagen en vakantietoeslag.

Het standpunt van het college

4.1.

Het college is het met het oordeel van de rechtbank dat de hoogte van het tarief van de tweede voorziening voor jeugdhulp in de vorm van een pgb geen € 20,- per uur mag zijn niet eens.

Het standpunt van betrokkene

4.2.

Betrokkene is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de ingangsdatum die bij bestreden besluit 1 is gehanteerd voor de eerste voorziening voor jeugdhulp in de vorm van een pgb terecht is bepaald op 21 mei 2021.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels