Home

Centrale Raad van Beroep, 23-11-2012, BY4322, 10-5674 WW-T

Centrale Raad van Beroep, 23-11-2012, BY4322, 10-5674 WW-T

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23 november 2012
Datum publicatie
28 november 2012
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2012:BY4322
Zaaknummer
10-5674 WW-T

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het dagloon dat met in achtneming van het in de aangifte van appellant opgenomen terugbetaalde bedrag is vastgesteld, werkt, anders dan met betrekking tot een loonbelastingheffing het geval is, in beginsel door tot zich een eindigingsgrond van de uitkering voordoet. Door aldus te handelen wordt ten aanzien van betrokkene op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de WW en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van betrokkene. Appellant heeft dus een onjuiste toepassing gegeven. Omdat het dagloon dat voor betrokkene geldt opnieuw zal moeten worden berekend door appellant ziet de Raad geen ruimte tot finale afdoening en zal de Raad met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet appellant opdragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Uitspraak

10/5674 WW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2010, 10/1128 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.]

Datum uitspraak 23 november 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.M. Breevoort een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Breevoort. De zaak is opnieuw ter zitting van 12 oktober 2012 behandeld. Ditmaal gevoegd met de zaken onder de nummers 11/4643 ZW, 12/4130 ZW en 11/3227 WIA. Namens appellant is mr. Rebel verschenen en betrokkene is verschenen met bijstand van mr. Breevoort. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 maart 2010 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 oktober 2009 ongegrond verklaard en het voor betrokkene geldende dagloon, waarnaar de aan haar toegekende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) wordt berekend, gehandhaafd op € 91,52. Aan deze vaststelling ligt het standpunt van appellant ten grondslag dat voor de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van het loon voor de sociale verzekeringswetten (SV-loon) dat betrokkene in de referteperiode van 1 oktober 2008 tot 1 oktober 2009 heeft genoten. In dit geval bestaat dat uit loon dat betrokkene heeft ontvangen van haar werkgevers en een door betrokkene aan appellant terugbetaald bedrag aan ten onrechte ontvangen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) voorafgaand aan de referteperiode. Het terugbetaalde bedrag aan ten onrechte verstrekte ZW-uitkering heeft appellant als zogenoemd negatief loon betrokken bij de berekening van het dagloon.

1.2. Appellant heeft bij besluit van 7 juli 2010 (bestreden besluit 2) het dagloon vastgesteld op € 99,27. Bij die vaststelling heeft appellant de ophoging van de in de referteperiode terugbetaalde uitkering met de factor 100/70 achterwege gelaten en het bedrag van het negatieve loon in de referteperiode vastgesteld op € 4.723,63. Omdat bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet kwam aan de bezwaren van betrokkene, heeft de rechtbank het beroep van betrokkene op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 gegrond. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar artikel 3, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) overwogen dat het door betrokkene in het refertejaar genoten loon, en daarmee ook het negatieve loon, het vertrekpunt vormt voor de dagloonberekening. De rechtbank is echter van oordeel dat in het bijzondere geval van betrokkene een strikte toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Besluit in die mate in strijd komt met de algemene rechtsbeginselen dat dit op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene door toedoen van appellant voorafgaand aan de referteperiode te veel uitkering ontvangen, dat door betrokkene in het refertejaar grotendeels is terugbetaald en kan dit verwijtbaar handelen van appellant er niet toe leiden dat een lager dagloon voor betrokkene heeft te gelden.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten (Walvis) naar voren komt dat het dagloon voortaan zou worden vastgesteld aan de hand van de gegevens die de inhoudingsplichtige levert aan het bestuursorgaan ten behoeve van de heffing van de premies sociale verzekeringen. Daarbij werd gestreefd naar een ingrijpende vereenvoudiging van de berekeningswijze, waarbij subjectieve elementen geen rol meer zouden spelen en zo min mogelijk uitzonderingen zouden bestaan. Blijkens de memorie van toelichting bij Walvis werd het, om ongewenste effecten te voorkomen, niettemin wenselijk geacht om in een (limitatief) aantal situaties rekening te houden met omstandigheden waarin de werknemer zich in de referteperiode bevond en die een negatieve invloed uitoefenen op de hoogte van het dagloon.

Appellant is van mening dat de situatie die in de onderhavige zaak aan de orde is geen omstandigheid betreft zoals bedoeld in de memorie van toelichting en dat om die reden daarmee geen rekening is gehouden in het Besluit. Appellant heeft in zijn optiek op een juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 3, eerste lid, van het Besluit. Hij heeft opgemerkt dat het het aan de wetgever en niet aan de rechtbank is om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Besluit neergelegde systematiek teniet te doen.

3.2. Betrokkene heeft bevestiging bepleit van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de voor betrokkene geldende referteperiode van van 1 oktober 2008 tot 1 oktober 2009 loopt. Evenmin is in geschil dat de vordering van appellant is ontstaan en door betrokkene is voldaan, als door haar gesteld.

4.2. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de WW wordt voor de berekening van de uitkering waarop op grond van dit hoofdstuk recht bestaat als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met betrekking tot een loontijdvak van een dag. Volgens het tweede lid van artikel 45 van de WW, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Deze regels zijn vastgesteld bij het Besluit. Artikel 1, eerste lid, onder j, van het Besluit verstaat onder loon, het loon bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf 1, van de Wfsv. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van deze wet wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964. Volgens artikel 10, eerste lid, van deze wet is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit wordt voor de toepassing van dit besluit de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

4.3. Uit de uitspraak van de Raad van 14 mei 2009, LJN BI4685 blijkt dat toepassing van de hoofdregel voor de dagloonberekening, zoals neergelegd in artikel 45, eerste lid, van de WW, niet mag leiden tot een resultaat dat in strijd is met het principe dat het dagloon een weerspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van betrokkene bij het intreden van het verzekerde risico. Blijkens de memorie van toelichting bij Walvis en in het bijzonder paragraaf 4.3 ‘de dagloonsystematiek’ (Kamerstukken II 2001-2002, 28 219, nr. 3, blz. 58 e.v.) heeft de met deze wet beoogde vereenvoudiging geleid tot een nieuwe dagloonregeling met de volgende uitgangspunten:

• de loonelementen voor het dagloon zijn gelijk aan het loon waarover premies worden geheven;

• het dagloon wordt gebaseerd op het in een referteperiode genoten loon (historisch dagloon);

• voor de verschillende wetten gelden zo uniform mogelijke regels en • de daglonen worden vastgesteld aan de hand van feitelijk vast te stellen, objectieve gegevens. Door middel van Walvis heeft de wetgever dus in die zin een wijziging in de dagloonsystematiek aangebracht dat het dagloon in het vervolg gebaseerd moet worden op het historisch dagloon.

4.4. Uit de in 4.3 vermelde uitspraak blijkt echter eveneens dat niet kan worden gezegd dat met invoering van het historisch dagloon het loondervingsbeginsel is verlaten. Door uit te gaan van genoten loon, zullen opgetreden loonmutaties ook doorwerken in het dagloon en daarmee wordt recht gedaan aan het principe dat gelegen is in de hoofdregel van artikel 45, eerste lid, van de WW, namelijk dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet geven van het welvaartsniveau van de betrokken werknemer.

4.5. Het ontstaan van het onderhavige negatief loon is het gevolg van een voor de referteperiode door appellant gemaakte fout bij de betaling van de aan betrokkene toekomende ZW-uitkering. Appellant heeft ter zitting beaamd dat door de door hem gehanteerde berekeningswijze van het dagloon het niet is uitgesloten dat ten gevolge van een vordering van appellant tijdens het refertejaar het dagloon op nihil moet worden gesteld. Appellant is bij de berekening van het dagloon onder meer uitgegaan van zijn eigen aangifte van het door betrokkene genoten SV-loon, bestaande uit de vordering van appellant, welke vordering door betrokkene in het refertejaar is voldaan.

4.6. Het dagloon dat met in achtneming van het in de aangifte van appellant opgenomen terugbetaalde bedrag is vastgesteld, werkt, anders dan met betrekking tot een loonbelastingheffing het geval is, in beginsel door tot zich een eindigingsgrond van de uitkering voordoet. Door aldus te handelen wordt ten aanzien van betrokkene op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de WW en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van betrokkene.

4.7. Appellant heeft dus een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 2, eerste lid, van het Besluit, in verbinding met artikel 45, eerste lid, van de WW.

5. Omdat het dagloon dat voor betrokkene geldt opnieuw zal moeten worden berekend door appellant ziet de Raad geen ruimte tot finale afdoening en zal de Raad met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet appellant opdragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de beslissing op bezwaar van 24 maart 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en T. Hoogenboom en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) A.C. Oomkens

CVG