Home

Centrale Raad van Beroep, 19-04-2012, BW3312, 11-6704 MAW

Centrale Raad van Beroep, 19-04-2012, BW3312, 11-6704 MAW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19 april 2012
Datum publicatie
20 april 2012
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2012:BW3312
Zaaknummer
11-6704 MAW

Inhoudsindicatie

Ontslag wegens wangedrag. Het beleid van de minister is niet onredelijk, in aanmerking nemend de bijzondere positie van de Kmar als organisatie met politietaken binnen onze samenleving en de hoge eisen die aan de medewerkers worden gesteld wat betreft de betrouwbaarheid en integriteit. Er is geen sprake van ongeoorloofd onderscheid tussen medewerkers van de Kmar die een onder invloed van alcohol een auto besturen. De omstandigheid dat het OM aan appellant een transactie heeft aangeboden en appellant die heeft geaccepteerd, neemt niet weg dat de minister in redelijkheid mocht vasthouden aan zijn beleid. Het is niet onredelijk te achten dat de minister het veroorzaken van een eenzijdig ongeval, het achterlaten van de auto op de rijbaan en het verlaten van de plaats van het ongeval heeft aangemerkt als verzwarende omstandigheden in de zin van zijn beleid. Niet kan worden gezegd dat de minister de verweten gedragingen niet aan appellant had mogen toerekenen. De Kmar heeft in redelijkheid een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het organisatiebelang.

Uitspraak

11/6704 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 2 november 2011, 11/5267 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 19 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P. Reitsma, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Ju, mr. S.M. Diekstra en mr. A.N. Koster.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijn de feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 21 januari 2008 werkzaam als militair bij de Koninklijke marechaussee (Kmar), laatstelijk als BPV-er bij de Brigade Grensbewaking op Schiphol. In de vroege ochtend van 29 augustus 2010 is appellant met zijn auto van de weg geraakt, heeft hij met de auto een lantaarnpaal geraakt en is tegen een boom tot stilstand gekomen. De auto was total-loss en stond nog gedeeltelijk op de rijbaan. Appellant heeft zijn vader gebeld en de plek van het ongeval lopend verlaten. De politie is gealarmeerd door een voorbijganger en ter plekke aangekomen troffen zij niemand bij de auto aan. Nadat de vader van appellant op de plaats van het ongeval was aangekomen en hij de politie had ingelicht over de identiteit van appellant als bestuurder van de auto, is appellant in de buurt van zijn ouderlijk huis aangehouden op grond verdenking van overtreding van de artikelen 7 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Een ademanalyse heeft uitgewezen dat het alcoholgehalte van de adem van appellant 475 µg/l was. De toegestane waarde voor een bestuurder die, zoals appellant, korter dan vijf jaar zijn rijbewijs heeft is maximaal 88 µg/l.

1.2. Bij besluit van 6 december 2010 is aan appellant met ingang van 1 januari 2011 wegens wangedrag ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Bij besluit van 9 juni 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen dat ontslagbesluit ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat de gedragingen van appellant, te weten het deelnemen aan het verkeer met een alcoholpercentage van 475µg/l, het veroorzaken van een eenzijdig ongeval, het op de rijbaan achterlaten van de auto en het verlaten van de plaats van het ongeval, worden gekwalificeerd als wangedrag buiten de dienst. De minister heeft daarbij toegelicht dat hij een strikt ontslagbeleid hanteert bij rijden onder invloed door Kmar medewerkers. Bij overtreding van artikel 8 van de WVW wordt tot ontslag overgegaan indien het alcoholpercentage zodanig hoog is dat een transactie conform de transactiegrens van het Openbaar Ministerie (OM) niet mogelijk is danwel indien er sprake is van verzwarende feiten of omstandigheden. Voor beginnend bestuurders die hun rijbewijs nog geen vijf jaar hebben, zoals appellant, is de transactiegrens van het OM 350 µg/l en appellant zat daarboven.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het ontslagbeleid van de minister in het geval van het besturen van een auto onder invloed van alcohol, waarbij aansluiting is gezocht bij transactierichtlijnen van het OM, voor zover daarin voor een beginnend bestuurder die minder dan vijf jaar zijn rijbewijs heeft een ander alcoholpercentage als grens wordt gehanteerd dan voor de bestuurder die al langer zijn rijbewijs heeft, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het OM heeft appellant een transactie aangeboden. In de lijn daarmee had de minister volgens appellant in dit geval moeten afzien van ontslag. Het verlaten van de plaats van het ongeval kan appellant niet worden verweten omdat hij zich in een shocktoestand bevond. Bovendien had hij zijn vader gevraagd naar de plaats van het ongeval te komen, zodat zijn identiteit wel kon worden vastgesteld door de politie. Het ongeval is veroorzaakt doordat appellant de macht over het stuur verloor bij het pakken van een cd-mapje en hield geen verband met het alcoholgebruik. Als er geen alcoholgebruik was geweest, was het slechts een triest ongeval geweest en was er geen sprake geweest van ontslag.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.2. Uitgangspunt van de minister is dat het plegen van een misdrijf door eigen personeel niet wordt getolereerd. Sinds 2005 hanteert de minister het ontslagbeleid zoals dat is verwoord in 1.2 en waarbij de transactiegrens leidend is en niet of daadwerkelijk een transactie is aangeboden.

4.3. De Raad acht dit beleid van de minister niet onredelijk, in aanmerking nemend de bijzondere positie van de Kmar als organisatie met politietaken binnen onze samenleving en de hoge eisen die aan de medewerkers worden gesteld wat betreft de betrouwbaarheid en integriteit. Met het maken van onderscheid tussen de bestuurders die nog geen vijf jaar het rijbewijs hebben en degenen die hun rijbewijs langer hebben, gaat de minister een redelijke beleidsbepaling niet te buiten en hij heeft daarmee geen ongeoorloofd onderscheid gemaakt tussen medewerkers van de Kmar die een onder invloed van alcohol een auto besturen.

4.4. In het geval van appellant is niet in geding dat het alcoholpercentage bij appellant (475 µg/l) ver boven de grens lag van hetgeen op grond van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de WVW geoorloofd is voor beginnend bestuurders (88 µg/l) en ook ruim boven de transactiegrens van het OM voor beginnend bestuurders (350 µg/l). De omstandigheid dat het OM aan appellant desondanks een transactie heeft aangeboden en appellant die heeft geaccepteerd, neemt niet weg dat de minister in redelijkheid mocht vasthouden aan zijn beleid en niet ten gunste van appellant de hogere transactiegrens van 570 µg/l die geldt voor bestuurders die al langer dan vijf jaar het rijbewijs bezitten had dienen toe te passen.

4.5. Voorts is het niet onredelijk te achten dat de minister het veroorzaken van een eenzijdig ongeval, het achterlaten van de auto op de rijbaan en het verlaten van de plaats van het ongeval heeft aangemerkt als verzwarende omstandigheden in de zin van zijn beleid. Voor de stelling van appellant dat het ongeval niet zou zijn veroorzaakt door de alcohol maar een gevolg zou zijn van het pakken van een cd-mapje, is geen enkele onderbouwing te vinden in de gedingstukken. Dat het verlaten van de plek van het ongeval en het achterlaten van de auto op de rijbaan appellant niet zou kunnen worden toegerekend omdat hij in een shocktoestand verkeerde, wordt evenmin ondersteund door de gedingstukken. Het woord van appellant is daarvoor onvoldoende.

4.6. Met inachtneming van het vorenstaande en zoals de rechtbank ook met juistheid heeft overwogen, kan niet worden gezegd dat de minister de verweten gedragingen niet aan appellant had mogen toerekenen.

4.7. Voorts volgt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de Kmar in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het organisatiebelang en hij verwijst naar hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen.

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD