Home

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Geldig vanaf 1 augustus 2022
Geldig vanaf 1 augustus 2022

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-08-2022]

Aanhef

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een inkomensvoorziening te treffen voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  1. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  2. college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 11;

  3. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  4. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  5. het Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  6. netto minimumloon: het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Participatiewet;

  7. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht;

  8. uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het college, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Artikel 2

1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen zelfstandige:

de persoon die voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep en die:

  1. 1°.

    de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt en

  2. 2°.

    na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep heeft beëindigd.

2.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met de gewezen zelfstandige gelijkgesteld de partner in de zin van artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die voldoet aan het bepaalde in het eerste lid.

3.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede als gewezen zelfstandige aangemerkt de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste of tweede lid, en die met anderen het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, indien:

  1. 1°.

    de volledige zeggenschap in het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werd uitgeoefend en

  2. 2°.

    de financiële risico’s van het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werden gedragen.

4.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede als gewezen zelfstandige aangemerkt de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste of tweede lid, en die, anders dan als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap.

5.

De gewezen zelfstandige was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep, indien werd voldaan aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 3

Artikel 3a

Artikel 4

Artikel 4a

Artikel 4b

Hoofdstuk II. De uitkering

§ 1. De voorwaarden voor het recht op uitkering

Artikel 5

Artikel 5a

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

§ 2. De hoogte van de uitkering

Artikel 9

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2013]

§ 3. Het geldend maken van het recht op uitkering

Artikel 11

Artikel 11a [Vervallen per 01-01-2009]

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 16a

Artikel 17

Artikel 17a

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 19a [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 19b [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 19c [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 19d [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 19e [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 19f [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 19g [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 19h [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 20

Artikel 20a

§ 4. De betaling van de uitkering

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

§ 5. Terugvordering

Artikel 25

Artikel 25a [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 25b [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 25c [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 25d [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 25e [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 25f [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 25g [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 25h [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 25i [Vervallen per 01-07-1997]

Artikel 25j [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 25k [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2017]

Artikel 29a

Artikel 30

Artikel 31

Artikel 32 [Vervallen per 01-07-1997]

Artikel 33 [Vervallen per 01-07-1997]

Hoofdstuk III. Rechten en plichten

Artikel 34

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 36a [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36b [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36c [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36d [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36e [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36f [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36g [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36h [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36i [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36j [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 36k [Vervallen per 01-01-1996]

Artikel 37

Artikel 37a

Artikel 38

Artikel 38a

Artikel 39

Hoofdstuk IV. Uitvoering, gegevensverstrekking en informatievoorziening

§ 1. Verantwoordelijkheid voor de uitvoering

Artikel 40

Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 42

Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2004]

§ 2. Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50 [Vervallen per 25-03-2009]

Artikel 51 [Vervallen per 01-01-2000]

§ 3. Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders

Artikel 52

Artikel 53

§ 4. Informatie

Artikel 54

Artikel 55

Hoofdstuk V. Financiering

Paragraaf 1. [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 57 [Vervallen per 01-01-2010]

Paragraaf 2. [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 59 [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 59a [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 59b [Vervallen per 01-01-2010]

Paragraaf 3. [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 59c [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 59d [Vervallen per 01-01-2010]

Paragraaf 4. [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 59e [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 59f [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 59g [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 59h [Vervallen per 01-01-2010]

Paragraaf 5. Voorzieningen

Artikel 59i [Vervallen per 01-01-2015]

Hoofdstuk VI. Rechtsbescherming

Artikel 60

Artikel 60a [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 60b

Hoofdstuk VII. Strafbepalingen en overgangsbepalingen

Artikel 61

Artikel 62 [Vervallen per 01-07-2000]

Artikel 62a

Artikel 63

Artikel 63a

Artikel 63b [Vervallen per 01-01-2019]

Artikel 63d

Artikel 63e

Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

Artikel 64

Artikel 64a [Vervallen per 24-12-1999]

Artikel 65

Artikel 66

Artikel 67

Artikel 68

Artikel 69